Arjo Klamer: 'Wás het maar een crisis'

Als een van de weinige bekende Nederlandse economen is hij tegen economische groei. Volgens Hoogleraar Arjo Klamer hebben we geen economische crisis, maar een spirituele crisis. Die uiteindelijk alleen via een ander bewustzijn valt aan te pakken. “Geld is een zachte waarde, kwaliteit is keihard.”

Hoge ramen geven uitzicht op de eeuwenoude binnentuin. Druk telefonerend is Arjo Klamer net binnengekomen in de grote zaal met schouw in het zeventiende-eeuwse patriciërshuis in Deventer, waar de Academia Vitae is gevestigd. Deze ‘academische instelling voor mensen die midden in het leven staan’, grijpt terug op de principes van de brede klassieke, academische vorming. “Druk ja”, zegt Klamer, decaan van de ‘levensuniversiteit.’ Naast zijn hoogleraarschap ‘economie van kunst en cultuur’ in Rotterdam, probeert hij de boel hier in Deventer ook nog “in de lucht te houden:” de Academia Vitae heeft last van teruglopende inkomsten. Oftewel, van de economische crisis. Maar dat sinds een jaar zoveel gebruikte woord ‘crisis’ vindt Klamer ongepast. “Dat wij nu eventjes op het economische niveau zitten van 2007, is dat zo erg? Mensen ervaren het niet als een ‘crisis’. In de psychologie is sprake van een crisis als iemand in grote verwarring is, zijn verhaal kwijt is en een ander verhaal nodig heeft. Was het maar een crisis. Want ik hoop dat mensen op zoek gaan naar een nieuw verhaal. Het is belangrijk om klaar te staan met nieuw verhalen.”
Klamer (1953) is een zoon van de indertijd bekende IKON-pastor Alje Klamer. Hij studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam, promoveerde in de Verenigde Staten en gaf daar les aan verschillende universiteiten. Tegenwoordig is hij hoogleraar aan de Rotterdamse Erasmusuniversiteit en hij kreeg bekendheid doordat hij zich verzette tegen de komst van de euro en de Europese Grondwet. Hij schreef verschillende boeken, waaronder ‘Het verhaal van geld’ in 1998 en ‘In Hemelsnaam!: over de economie van overvloed en onbehagen’ in 2005.

Het ‘nieuwe verhaal’ van Klamer draait niet om economische groei, maar kwaliteit. “Wij zijn zó gebrand op economische groei, dat we een klein beetje teruggang al een crisis vinden. Hoe wij nu denken is sterk bepaald door de crisis in de jaren dertig. Na de enorme klap in de markteconomie toen, wilde men gaan beheersen en meten en werd het Bruto Nationaal Product bedacht, wat vervolgens richtinggevend werd.” Door alles en iedereen in de maatschappij. “Op de vraag, wat is nou eigenlijk belangrijk voor je, antwoorden veel mensen: ‘gezondheid en geld.’ Terwijl de meeste mensen niet ziek zijn en geld genoeg hebben. Dat denken in geld zit in de systematiek.” Niet alleen op de markt, maar ook bij de overheid. “Heel snel ligt de nadruk op wat kost het, het gaat altijd om kwantiteiten, ook in de culturele sector, waar het over bezoekersaantallen en rendement gaat.”

Misschien komt die dominantie van het geld doordat het een harde waarde is waarbij de zachtere waarden als solidariteit, zorgzaamheid en schoonheid het onderspit delven?
“Juist kwaliteit is een keiharde waarde. Geld, waarvan gezegd wordt dat het een harde waarde is, is daarentegen heel zacht, fluïde: de miljarden vervluchtigen waar je bij staat. Terwijl kwaliteit keihard is. Probleem maar eens iemand omver te krijgen die stevig in zijn schoenen staat, kwaliteit heeft. Terwijl je iemand die op geld steunt, je zo weg hebt, die heeft weinig wortels, weinig houvast. Als je heel sterk gedreven wordt door geld, heb je nooit genoeg.”

Hoe komen we af van die gedrevenheid door geld en economische groei?
“Om te beginnen door een ander plaatje te tekenen. Het beeld in het maatschappelijke debat – door juristen en economen - wordt sterk bepaald door ‘markt’ en ‘overheid’. Maar zo leven wij ons leven helemaal niet. De belangrijkste waarde realiseer je in wat ik de ‘oikos’ noem: de omgeving waarmee je een lotsverbondheid hebt, vaak gezin en familie. Daar krijg je geborgenheid, aandacht, word je identiteit gemaakt. Daarnaast heb je de sociale ruimte waar de belangrijkste waarden worden gerealiseerd. Wat zijn die waarden dan? Laten we benoemen wat belangrijk voor je is. Dan kom je toch bij zaken als de waarde van vriendschappen, mooie natuur, je gezin, solidariteit, rechtvaardigheid. Dat moet je heel concreet maken. Ik doe veel voor mijn gezin, al vindt mijn vrouw dat het te weinig is.
Het belangrijkste wat je kunt doen, wat het meeste voldoening geeft, is bijdragen aan iets gemeenschappelijks, iets wat je deelt met anderen. Dat is Aristoteleaans: wij zijn door en door sociale wezens. Dat staat haaks op de gangbare economische gedachte dat de mens in wezen egoïstisch is. Hoe meer ik daar over nadenk, hoe onzinniger ik dát vindt. Uiteindelijk doe je iets wat altijd groter is dan jezelf. Dat is niet altijd makkelijk. We huren bijvoorbeeld een appartement, inclusief energie. Toen we een dag op pad gingen zeiden we: ‘zullen we de verwarming aanlaten, we hebben er toch al voor betaald?’ Dat is de logica van de markt: prijs is richtinggevend. Je kunt daar een andere logica tegenover zetten, bijvoorbeeld de ‘beheerslogica’: verbieden die verwarming aan te laten staan. Met boetes en controles. Daarnaast heb je de sociale ruimte: daarin doe je iets – de verwarming wél uitdraaien- omdat je het belangrijk vindt, omdat je je schuldig voelt of vanwege de toestand van de natuur en milieu. Dan heb je iets geïnternaliseerd, een waarde die je hebt aangeleerd. Dat zou ik willen: een bewustzijn ontwikkelen van genoeg, matiging, rechtvaardigheid. Dat het normaal wordt om met je partner aan de keukentafel te zitten en je afvraagt: ‘die tweede vakantie is wel hartstikke leuk, maar hebben we het nodig?’”

De vraag is of we er op kunnen wachten totdat dat bewustzijn gegroeid is. Is het dan al niet te laat: te veel aan natuur en leefbaarheid kapot gemaakt?
Zónder dat bewustzijn, ga je het zeker niet redden. Dat is het belangrijkste. Ik rook niet en heb lang in de Verenigde Staten gewoond. Daar stond ik een keer buiten, een heel eind van een vrouw, die me vroeg of het OK was, dat ze een sigaret opstak. Zo ver was het toen al met het bewustzijn dat roken niet goed is. Toen ik terugkwam in Nederland vond ik het idioot hoe vanzelfsprekend roken hier nog was. Inmiddels neemt de gevoeligheid toe, zijn er steeds meer mensen die niet meer binnen roken. Daarin zie je dat een groeiend bewustzijn mogelijk is. Ik zie ook wel aanknopingspunten voor een soort groeiend bewustzijn voor een andere economie: de opkomst van Transition Towns, Cradle-to-Cradle-, de verkiezing van Obama. Het gaat allemaal langzaam, en vooral in bepaalde kringen.

In de Nederlandse politiek hoor je nooit dat we af moeten van economische groei. Zelfs Femke Halsema van GroenLinks zegt: ‘Economische groei is prima’.
“GroenLinks heeft een hele gekke beweging gemaakt. Ze hebben ingetekend op de liberale gedachte en daar hoort die groei ook bij. Je kunt beter bij de SP zijn.”

Maar de SP, waarvan u economisch adviseur bent, hoor je juist nooit over het aanspreken van individuele burgers op hun gedrag: de schuld voor alle problemen wordt altijd bij de overheid en bedrijven gelegd.
Mensen als Jan Marijnissen en Agnes Kant hebben het vaak over het nemen van verantwoordelijkheid: ‘wat ga jij doen?’ is dan de vraag, anders dan bij de PvdA, wat een bestuurderspartij is. Maar ik zou wel willen dat er ook binnen de SP wat meer nadruk op die eigen verantwoordelijkheid werd gelegd. De crisis aan de bankiers en toezichthouders wijten, vind ik te kort door de bocht. Die mentaliteit van meer, meer, meer, vind je door de hele maatschappij. Maar van politieke leiders hoef je niet veel te verwachten: die zitten vast in hun opportunistische gedrag. Ik verwacht meer van leiderschap buiten de politieke partijen. Van maatschappelijke bewegingen als Greenpeace en Milieudefensie. Uiteindelijk moeten we het van maatschappelijke organisaties hebben. Van daaruit kan maatschappelijke druk ontstaan. Daar komt wel wat bij kijken. Misschien hebben we een soort shock nodig, zoals destijds de ramp met Tsjernobyl. Het is makkelijk om mensen met woorden een andere kant op te krijgen, maar de volgende dag vertonen ze weer hetzelfde gedrag.

Ten diepste is de mens niet alleen sociaal, maar ook spiritueel, is uw stelling. Wat bedoelt u daarmee?
Ook als je beurs goed gevuld is en je een uitgebreid vriendennetwerk hebt, kun je nog steeds zinloosheid en leegte ervaren. Waar ben ik mee bezig? Een vraag over de weg die je bewandelt. Dat is een spirituele vraag en er is behoefte om daar mee bezig te zijn. A-spirituele mensen begrijpen dat niet, weten niet waar je het over hebt. Je kunt blijkbaar rondlopen zonder die vraag. Maar ook bij die mensen komt de vraag meestal op, als ze iets schokkends meemaken. Zodra je die vraag eenmaal hebt, werkt dat door, ben je bezig met een spirituele dimensie. Daar hebben wij mensen behoefte aan. Als we al een crisis hebben, is dat een crisis in onze rampzalige verhouding tot de natuur, tot elkaar en de samenleving, over de vraag dus waar we mee bezig zijn en daarmee een spirituele crisis. Die crisis laat zich moeilijk zien, omdat we het niet willen zien. Terwijl we een hele sterke spirituele traditie hebben in onze cultuur. Alleen staat die in een kwaad daglicht, door benauwend calvinisme. Maar de aversie is wel heel snel doorgeschoten. De bijbel is totaal verwijderd uit de gesprekken, terwijl al die verhalen en teksten daarin tot dertig jaar geleden heel bepalend waren. De bijbel herinnert ons eraan dat het leven en onze talenten ons gegeven zijn en dat we daarom ook van elkaar mogen vragen vooral dienstbaar te zijn aan elkaar, aan de natuur, aan het goddelijke. Niet alleen de bijbel, je moet ook Aristoteles of de Koran erbij pakken.”

U spreekt zich uit tegen ‘verwachten’: als ik wil weten wat de overheid moet doen of wat uw plan met de wereld is, dan zit ik volgens u ook vast in de ideologie van ‘verwachten’. Borduurt u daarmee voort op het Boeddhistische uitdoven van alle verlangen? Volgens de wijsheid: ‘wie niks verlangt, heeft alles’?
Ik bekritiseer dat verwachten omdat je je daarmee opstelt als klein kind: los het voor me op, zeg wat ik wel en niet moet doen. Terwijl het er om gaat het kompas te internaliseren. Maar het volledig uitdoven van verlangen: dat wordt toch al snel ‘verlangen naar niks verlangen’. Het ego is bij mij daarvoor nog te veel aanwezig. Ik zie het wel steeds meer in mijn omgeving: mensen die kleiner gaan wonen, de auto de deur uit doen. Toch wordt het ego bij mij ook wel kleiner: ik word bescheidener.”


Gepubliceerd in Genoeg, februari-maart 2010