'Ik hou van Nederland, daarom ben ik er weggegaan'

Ton Lemaires radicaal groene denken

Geen filosoof die de teloorgang van rust en landschap in Nederland zo diepgaand heeft onderzocht als Ton Lemaire. Zelf kon hij er niet meer tegen en vluchtte naar Frankrijk, "de achtertuin van Nederland". Om er "met open zinnen" te genieten van bos, rust, eigen groenten en fruit, boeken te schrijven en zich te ergeren aan lawaai. "Schandalig dat iemand bij Milieudefensie dat zegt." Een dag met Lemaire in de Dordogne.

In de oorverdovende stilte van de dampige ochtend kraait de haan, terwijl zijn krielkippetjes tussen de gevallen bladeren in een paar rotte appels pikken. “Het is een stille dag vandaag”, zegt antropoloog en filosoof Ton Lemaire (61) die net samen met hond Tessa zijn eerste wandeling van die dag heeft gemaakt, over zijn 14 hectare grote land en bos. Stil omdat de mist veel geluiden uit de omgeving dempt. In de loop van de dag, wanneer de zon de mist breekt en de roodgele boomtoppen in volle gloed zet, dringen ook af en toe geluiden van het moderne leven door tot Theveny, het boerderijtje van Lemaire in de Dordogne. Sinds twaalf jaar woont hij er nu, op de vlucht voor de herrie, de verstedelijking, de vernietiging van het Nederlandse landschap. Weg van de universiteit in Nijmegen, van zijn studenten cultuurfilosofie. Niet dat hij alle banden met Nederland heeft verbroken. Integendeel: “Sinds ik in Frankrijk woon, voel ik me meer Nederlands dan ooit.” Zijn boeken verschijnen in het Nederlands, zoals dit voorjaar ‘Met open zinnen - Natuur, landschap, aarde’ (zie recensie in het meinummer van Milieudefensie Magazine), dat tot zijn eigen verbazing al aan zijn derde druk toe is, met een vierde wellicht in het verschiet. Nog nooit ook heeft hij zoveel interviews gegeven als dit jaar. “Ik heb er geen verklaring voor, misschien is het een uiting van het ongenoegen over de teloorgang van het Nederlandse landschap.”
“Kijk, een dassenspoor en hier hebben wilde zwijnen gewroet.” “Proef de jeneverbessen van deze struik eens, goed voor de spijsvertering, smaakt naar jenever, hè?” “Hoor, het dondert in de verte.” Lemaire leeft ‘met open zinnen’. Hij geniet, speelt jongensachtig met zijn hond, vertelt over de groenten en het fruit die hij teelt en die het grootste deel van zijn dagelijkse menu vormen. ‘s Zomers heeft hij een dagtaak aan de tuin. Sinds zes jaar in zijn eentje, “helaas, want ik ben helemaal geen kluizenaar.” Alleen nog wat venkel, prei, een enkele biet en wat mislukte savooienkolen staan er nog in de tuin en komkommerkruid dat zich met felle blauwe bloempjes nog niks van de herfst lijkt aan te trekken. Nu is Lemaire vooral druk met houthakken en zagen - met de hand - voor zijn kachel, die deze laatste dag van oktober een van de eerste keren vlamt. Op schoot een mand met tamme kastanjes uit eigen bos, die hij pelt voor het middagmaal, vertelt hij hoe op 14-jarige leeftijd zijn liefde ontwaakte voor de natuur.

Gloeiende plaat
“Vanaf dat moment trok ik er rusteloos op uit.” Rond het Midden-Limburgse dorpje waar hij sinds zijn zevende woonde. “Alleen of met een vriendje, om vogels te bekijken.” Hij werd vooral gegrepen door het landschap in en rond het Leudal. “Al heel gauw begon ik de modernisering te betreuren, de asfaltering van veldwegen, een autoweg door een natuurgebied, ruilverkavelingen. Vreselijk vond ik dat.” Hij ging antropologie en filosofie studeren in Nijmegen en een jaartje aan de Sorbonne in Parijs. Daar schreef hij grotendeels zijn eerste twee boeken. De Tederheid (1968), een fenomenologische kijk op de liefde, dat al snel in zwang raakte bij intellectuele verliefde stelletjes. En het boek dat hij over het Leudal wilde schrijven, maar dat uiteindelijk ‘Filosofie van het landschap’(1970) werd. Samen met zijn magnus opum ‘Over de Waarde van Culturen’ (1976) zijn bekendste boeken.
Vanaf begin jaren zeventig schoten allerlei milieugroepen als paddestoelen uit de grond. “Er kwam toen een kader voor mijn ergernis.” Hij richtte samen met anderen de werkgroep Leudal op die streed tegen allerlei bedreigingen van het natuurgebied. Nog steeds heeft hij een hele sterke band met het gebied en schrijft hij af en toe stukken voor het tijdschrift van de werkgroep. Toen hij als universitair docent verhuisde naar de rand van Nijmegen werd hij daar actief in een milieugroep. Tegen de illegale bouw van villa's, de bebouwing van een maagdelijk plateau. "Dat was de beste milieugroep waar ik ingezeten heb." De groep daarentegen waar hij in 1980 in terechtkwam, toen hij in het Brabantse Vierlingsbeek een boerderij betrok "heeft heel weinig bereikt". Tegen uitbreiding van woningen, kappen van Maasheggen, dempen van poelen, nieuwe wegen zoals de A73, laagoverscherende straaljagers, bio-industriestallen, voor het verzamelen van zwerfuil, het planten van bomen. "Er was veel te weinig draagvlak voor, je was verdacht als je actievoerde." Lid van Milieudefensie, Natuur en Milieu, Limburgs Landschap, Natuurmonumenten was hij ook. "Vijftien jaar heb ik behoorlijk actief deelgenomen aan allerlei milieugroepen. Je bereikte wel iets, maar het waren druppels op een gloeiende plaat. De grote ontwikkelingen gingen gewoon door."
"Op een goede dag stond ik vanuit mijn boerderij naar buiten naar de prachtige wei met bloeiende paardebloemen van de buren te kijken. Komt de buurman, met wie ik best op kon schieten, met zijn trekker met van die lange armen aan weerskanten naar buiten en rijdt er mee over het weiland. Binnen de kortste keren waren alle paardebloemen zwart en misschien wel duizend van mijn bijen dood." De bomen die hij geplant had en 's nachts werden omgehakt, de tank met kankerverwekkend bestrijdingsmiddel die op zijn veldweg geleegd werd, de aardappels bij de buren die elke week met gif werden bespoten, het oorverdovende gebulder van de straaljagers. "Ik kon er op een gegeven moment niet meer tegen. Ik verzuurde. Nu ik er over praat begin ik bijna weer te janken. Uit zelfbehoud ben ik weggegaan."

Slap gezeik
De donkere zoetige geur van gebakken boleten verspreidt zich door Lemaires met boeken gevulde hoeve. ‘s Morgens heeft hij de boleten in het bos geplukt. “Ik heb me wat aan de Franse keuken aangepast.” Een uitgebreid déjeuner dus, inclusief zelfgebakken brood en rode wijn. Lemaire is geen zonderlinge boskabouter, zoals de Volkskrant hem een paar jaar geleden afschilderde, naar aanleiding van zijn cultuurhistorische boek over paddestoelen “Godenspijs of duivelsbrood” (1995). Maar het terugtrekken op het Franse platteland roept wel de vraag op: wat heeft de maatschappij daar aan? “Ik probeer het zelf beter te doen, door niet mee te doen aan de waanzin van de consumptiemaatschappij. Ik hoop dat dat een uitstraling heeft. En ik schrijf boeken.” Lemaire geeft toe dat “een zekere aanpassing aan de maatschappij onvermijdelijk is. Ik heb ook elektriciteit, telefoon en televisie. Als je geen enkele aanpassing wilt, ga je eraan kapot, dan kun je je net zo goed ophangen.”
Betrokken bij de milieubeweging voelt hij zich nog wel. Hij is bijvoorbeeld lid van Amis de la Terre, de Franse zusterorganisatie van Milieudefensie. Wat hem betreft moet de milieubeweging in Nederland twee sporen volgen. Enerzijds kleine stapjes zetten, resultaten binnenhalen, transportcentra en wegen tegenhouden, vechten voor meer biologische producten. "Maar anderzijds niet uit het oog verliezen dat er grote veranderingen nodig zijn. Ik ben heel erg voor een maatschappij met negatieve economische groei.” Lemaire is het dan ook totaal niet eens met Wijnand Duyvendak die bij zijn overstap van Milieudefensie naar de Tweede-Kamerfractie van GroenLinks begin dit jaar in dit blad zei: “Milieudefensie heeft altijd aansluiting gezocht bij wat leeft in de samenleving. Dat vind ik ook heel verstandig, want stel ik roep: ‘geen economische groei’ - dan is dat een lege leuze, die alleen maar tevredenheid uitdrukt met je eigen analyse. Daar ben ik niet voor op deze wereld, dat is me veel te gemakkelijk.” Lemaire: “Wat een ontzettend slap gezeik. Schandalig dat iemand bij Milieudefensie of GroenLinks dat zegt. Als je iets goed overwogen hebt, argumenten hebt om economische groei slecht te vinden, dan moet je daar voor uit komen. Kennelijk is economische groei zo’n overheersende mythe van de samenleving, dat zelfs Milieudefensie en GroenLinks er niet voor uit durven te komen dat het niet deugt: economische groei is een volkomen waanidee. Elke groei zorgt voor extra consumptie, extra veroveren van markten - kleuters die al met reclame worden bestookt - economische oorlog tussen landen en blokken. Wat je wel kunt zeggen is ‘Gegeven dit systeem is economische groei volkomen logisch.’ Maar het systeem deugt niet.”
Geen wonder dat Lemaire zich aangetrokken voelt tot de anti-globaliseringsbeweging, die nog wel aan systeemkritiek doet. Veel sympathie heeft hij voor de ideeën van een van de boegbeelden van die beweging, zijn landgenoot de boerenleider José Bové, net als Lemaire filosofisch geschoold en ‘neo-ruraal’. “Ik ben erg voor contacten tussen de milieu- en boerenbeweging.” Want een revitalisering en verdediging van het platteland is nodig als tegenwicht tegen de groei en dominantie van de stad. Over het ontmantelen van een McDonalds in aanbouw als methode, zoals gehanteerd door Bové, is Lemaire wat aarzelend, “met de zaak van die Volkert van der G. in het achterhoofd. Maar ik kan me voorstellen dat je er in Nederland vanwege de voortdurende ecologische afbraak toe komt om nertsen los te laten of autobanen te saboteren. Ik heb zeer veel sympathie voor die jongen die begin jaren negentig de vernietiging van het Limburgse natuurgebied Jammerdal probeerde tegen te houden door bulldozers te saboteren. Ik heb daar bewondering voor, ik zou het best gedaan willen hebben.” Maar het toebrengen van menselijk schade is voor Lemaire uit den boze. “Ik ben pacifist, ben nog dienstweigeraar geweest.”
De laatste colleges die Lemaire eind jaren tachtig in Nijmegen gaf, gingen over ecologische utopieën. Volgens collega milieufilosoof Hans Achterhuis is er een verband tussen die utopieën en de moord op Pim Fortuyn (zie het interview met Achterhuis in het juninummer van dit blad). Ooit waren beide filosofen bevriend. Maar ruim voor de moord op Fortuyn, zes jaar geleden, ging Achterhuis in het tijdschrift De Gids op nogal agressieve en onheuse toon (“de paddestestoelenpsychiater moet de jeugdervaringen van Lemaire maar eens onder de loep nemen”) een polemiek aan met Lemaire. Daarin zegt Achterhuis dat “de in de taal verstopte gewelddadigheid die Lemaires (weer)woord kleurt, kenmerkend is voor het utopisch denken”. Lemaire (“Ik heb erg geleden onder die polemiek”) is het met Achterhuis eens dat het utopisch denken tot geweld kan leiden. “Utopisch denken is gevaarlijk als je het als blauwdrukken in de praktijk wilt brengen, als je het wilt doordouwen. Maar het is slecht om, zoals Achterhuis doet, al het utopische denken verdacht te maken. Daarmee gooi je het kind met het badwater weg en doet hij precies hetzelfde als wat hij de utopisten verwijt, namelijk zwart-wit denken. Als je niet utopisch mag denken, betekent dat dat er geen alternatief is voor de huidige maatschappij. Utopische verbeelding kan het onbehagen in de maatschappij kanaliseren en de mogelijkheden verkennen van hoe het anders zou kunnen.”

Spiritueel
Tijdens de middagwandeling veegt de zon vanachter de wolken met stralenbundels over het dal. Een monotoon brommend geluid zwelt aan en blijft lang hangen. “Weer zo’n klote vliegtuig”. Lemaire wijst op een heuvel in de verte die wordt afgegraven. “Daar komt de autosnelweg van Bordeaux naar Clermont-Ferrand.” Afhankelijk van de windrichting kan hij de bulldozers aan het werk horen. De helikopters van de politieschool in het nabije stadje kunnen ook een hoop herrie maken, evenals de straaljagers van de Franse luchtmacht. “Ik ben erg gevoelig voor geluid, sommigen zeggen overgevoelig.” Enfin, het liefst wil Lemaire ook hier weg, naar de Pyreneeën, waar de moderniteit nog minder de kans heeft om hem op de hielen te zitten.
Hoe kan het toch dat niet veel meer Nederlanders gillend hun hypergemoderniseerde land ontvluchten? Nederlanders zijn best tevreden, volgens geluksonderzoekers. “Bestaan die, geluksonderzoekers?”, vraagt hij lachend. In de eerste plaats is het niet alleen kommer en kwel in Nederland, geeft Lemaire toe. “Naast de grootste autodichtheid heeft het ook de grootste museum- en orkestdichtheid. Ik vind heel veel dingen leuk en goed in Nederland, ik houd er van, daarom juist ben ik er weggegaan, ik kon er niet tegen om te zien hoe veel er kapotgaat.” Daarnaast is er toch heel veel onbehagen in Nederland. “Dat blijkt uit de opkomst van Fortuyn. En er zijn in Nederland veel mensen die last hebben van geluidsoverlast. Er is heel veel stress, het arbeidstempo wordt voortdurend opgedreven, grote aantallen mensen hebben, net als ik, last of last gehad van een burnout en worden uit het arbeidsproces gestoten, slikken slaaptabletten en kalmeringsmiddelen. Al dat onbehagen wordt opgevangen met geld, zodat het niet tot een sociale beweging komt. Nederlanders zijn misschien in staat het leven in eigen land te verdragen omdat ze vaak op vakantie naar het buitenland gaan, Frankrijk is een soort achtertuin van Nederland.”
Ook het enorme aanbod van yoga, acupunctuur, meditatie, tai-chi-cursussen, alternatieve geneeswijzen en dergelijke is volgens Lemaire een symptoom van het onbehagen in de westerse wereld. Lemaire staat een “spirituele, esthetische, poëtische” omgang met de natuur voor, en ziet die ook in de New Age beweging. “Ik bedoel met spiritueel een niet-materialistische wereldbeschouwing die aandacht heeft voor het eigene en specifieke van de natuur en samenvalt met de waardering voor de schoonheid van de natuur. Je kunt spiritueel zijn, zonder de hele rimram van geesten en verschijningen erbij te halen. Het gaat om liefdevolle aandacht, openheid, geduld en respect.” De New Age- en milieubeweging kunnen elkaars zwakke punten compenseren. “Het is heel verkeerd als de milieubeweging zich versmalt tot verbeteren van de leefomgeving van mensen, dat is antropocentrisch. En de New Age-beweging is maatschappelijk en politiek naïef, met veel hooggestemde geëxalteerde mensen zonder basis in de maatschappelijke werkelijkheid, omdat ze de onderbouw (de economische basis, in Marxistische terminologie, MB) er niet bij betrekken.”
De duisternis is ingevallen bij Theveny en onthult een uitbundige sterrenhemel, zoals in Nederland nergens meer te zien is. “Hoor, een stel bosuilen”, zegt Lemaire. Een rollend, wat joelend, jodelend geluid klinkt niet al te ver in het bos. De uil is symbool van de wijsbegeerte, want het einde van de dag, als de uil actief wordt, nodigt uit tot nadenken. Over de zin van het leven, bijvoorbeeld. “In mijn persoonlijke leven is natuur heel belangrijk, maar uiteindelijk bepaalt het niet volledig de zin van mijn leven. Mensen zijn minstens zo belangrijk voor me.” Binnen bij de houtkachel schenkt Lemaire een glaasje zelfgemaakte sleedoornlikeur in, als slaapmutsje.

Gepubliceerd in Milieudefensie Magazine, december 2003