Koos van Zomeren

Waar ben ik?

Wandelend en schrijvend gaan hij en zijn hondje door het leven. Hij schreef romans, thrillers, dagboeken, essays, meer dan duizend columns en poëzie. Vitaal, maar niet optimistisch noemt Koos van Zomeren zichzelf: “Met het vertrouwde landschap, is ook een bepaald levensgevoel verdwenen.”


In een modern maar bescheiden appartement op de begane grond in Arnhem-Noord, park en bos op loopafstand, woont Koos van Zomeren. De voordeur gaat kalm open, hondje Stanley dartel aan zijn voeten. Nee we gaan nu niet wandelen. Zo’n tachtig kilometer leggen Van Zomeren en Stanley wekelijks te voet af. Tussen het schrijven door van columns, artikelen en boeken. In 1965 debuteerde Van Zomeren met de dichtbundel 'De wielerkoers van Hank'. Hij was verslaggever bij Het Vrije Volk en vervolgens actief bij de toen nog maoïstische SP om na zijn breuk aldaar het schrijven weer op te pikken, ditmaal voor de Nieuwe Revue. En hij begon boeken te schrijven, inmiddels ruim vijftig, van essays en verhalen tot thrillers en psychologische romans. Lezers van het NRC Handelsblad kennen hem van hun voorpagina, waar hij drieënhalf jaar lang een dagelijkse columns schreef met veel landschap, hondje Rekel, koeien en vogels, gebundeld in 'Ruim duizend dagen werk'. Op dit moment levert hij voor dezelfe krant wekelijks een column over bomen voor en onlangs verscheen – tweeënveertig jaar na zijn eerste - een tweede dichtbundel: 'Ik heet welkom'.

Toen het land nog in kampen
was verdeeld, de polder nog
in morgens gemeten.
Toen dingen nog een hortje
konden duren – je ging een
hortje kuieren –
het gras nog werd gegroend
de zeis nog werd gehaard …….

Zo begint het gedicht ‘Toen iedereen nog leefde’ dat ook opgenomen is in Van Zomerens vorige jaar verschenen boek ‘Nog in morgens gemeten – Nieuw Herwijns dagboek’. In 1951 werd in de polder bij het Waaldorp Herwijnen, waar Van Zomeren een deel van zijn jeugd doorbracht, een jonge boer doodgeschoten. In 'Nog in morgens gemeten’ onderzoekt Van Zomeren die gebeurtenis én de ruilverkaveling die vanaf 1958 het west-Betuwse dorp aandeed en er het landschap strak en kaal maakte en voor altijd veranderde. De ruilverkaveling, plus de doorsnijding met almaar nieuwe wegen, oprukkende bebouwing, staat symbool voor wat er overal in Nederland met het landschap is gebeurd. Van Zomeren schrijft: “Ik loop met Stanley langs de rivier en ik bedenk dat ik Nederland landschappelijk bezien, als een verwoest land beschouw. Dat is geen mening, geen standpunt, niet iets wat je kunt bewijzen of bestrijden. Ik loop langs de Waal en ik denk: dit is een verwoest land. Zo ervaar ik het.”

Grootmoeders
“Dat is een deprimerende vaststelling. Wat moet je dan nog met dat landschap, als je graag wandelt of fietst? vraagt Van Zomeren zich af aan de strakke zwarte eettafel in zijn huiskamer. “Je kunt nog wel landschap vinden waar je met voldoening kunt lopen. Maar met ‘Nog in morgens gemeten’ wil ik me teweerstellen tegen mensen die zeggen 'wat een mooi klein land hebben we toch'. Ik maak de balans op van de voor- en nadelen van de ruilverkaveling.” Toen die in de jaren vijftig begon was de west-Tielerwaard een achtergebleven gebied. “De ruilverkaveling is in gang gezet door mensen die oprecht begaan waren met het lot van mijn grootmoeders, die in bittere armoede leefden. Het heeft welvaart gebracht en het isolement waar mensen in woonden werd doorbroken.” Maar voor de “walgelijke armoede van toen” hebben we “de walgelijke rijkdom van nu” teruggekregen. Plus een verwoest land.
“Het gaat niet zozeer om de verandering van het landschap zelf. Het gaat om het tempo waarin dat gebeurt. Je treft niets meer aan zoals het in je je jeugd was. Waar je als kind hebt leren bewegen, waar je je plaats begon te zoeken in de ruimte. Die houvast is ongelooflijk belangrijk. Mensen die buiten bewustzijn zijn geraakt en weer bijkomen, vragen niet ‘Wie ben ik?’, maar ‘Waar ben ik?’ Dat is zo’n cruciale vraag. De grootste angst van dementerende ouderen is dat ze hum omgeving niet meer kennen. Mensen ervaren het als iets prettigs als ze elementen zien die ze kennen.”
Van Zomeren vertelt over Arnhem en omgeving – hij groeide op in het nabije Velp - dat nu zo anders oogt als in de tijd van zijn jeugd. “Ik ben 61, begin oude-manne-dingen te zegen. Maar die zei ik vijftien jaar geleden ook al. Als je de dingen afzonderlijk bekijkt is het niet erg. Maar als je het optelt, is het wel erg. Erg is ook de gretigheid en triomfantelijkheid waarmee het gebeurt. Al die politici en bestuurder die vinden dat ze nut hebben gehad als ze iets gedaan hebben. Het wachten is op de eerste wethouder die bij de opening van een nieuwe rondweg zegt: 'het is vreselijk, maar het moest gebeuren'. In plaats van die sfeer van feestelijkheden, die huidige premie op vernieuwen en veranderen. Milieudefensie zou een prijs moeten instellen voor iemand die niks heeft veranderd.”

Cuba
Zijn boeken en stukjes zullen niet tot verandering leiden, denkt Van Zomeren. “Daar bén ik niet voor. Ik beschrijf wat ik denk en hoe ik ertegenaan kijk. Niet om mensen te werven. Mijn verhaal past niet op een spandoek. Onder mijn lezers op literaire avonden zijn wel vaak geestverwanten die graag willen dat ze niet alleen zijn. En op mijn rubriek in het NRC Handelsblad krijg ik veel reacties van mensen die zich er heel erg in herkennen en ook hun eigen verhaal over bomen willen vertellen. Het is een soort bijval, mijn werk kan voor hen werken als een hart onder de riem.”
“Maar voor de grote meerderheid van de mensen zit Nederland in elkaar en ziet het er uit zoals ze het willen. Of het interesseert ze geen bal. Zolang ze maar zaterdags naar de C&A kunnen. Dat zuipen en vreten, die parasieteneconmie. Verwijt ik die mensen wat? Ik verwijt ze hetzelfde als wat bijvoorbeeld de paus ze verwijt: dat ze bijna gedachteloos meedobberen, er op los leven. Dat ze van goederen en diensten worden voorzien en dan toch klagen. Van die enorme zeikerds die voor 700 euro naar Cuba vliegen en dan als er een taks van 40 euro bovenop komt, gaan klagen: dat is onvoorstelbaar, die hele manier van denken. Mensen die op de camping in Frankrijk vertellen dat ze 150 kilometer hebben omgereden om in Luxemburg goedkoop te tanken.”
Gelukkig maar dat hij er nog om kan lachen. En zelf heeft hij ook heus zijn aandeel in het huidige maatschappelijk reilen en zeilen: “Ik maak ook gebruik van de A15. Zonder de A 15 was dit boek niet zo tot stand gekomen.” De weg - “die verdomde A15” - gebruikte van Zomeren om regelmatig en snel van Arnhem in Herwijnen te komen. De weg, die de polder bij Herwijnen doorsnijdt. Af en toe nam hij wel de trein en de bus, “om nostalgische redenen of voor de gemoedsrust.”

Trekvogels
Tien jaar geleden is het nu dat Koos van Zomeren, na oprichter J.J. Voskuil ambassadeur werd van Varkens in Nood. Hij voerde actie tegen de bio-industrie en voor een varkensvriendelijke houderij. Is er sinds 1997 wat verbeterd in de Nederlandse manier van beesten houden? Nadenkend over een antwoord, knoeit Van Zomeren een stuk van zijn koekje op de grond. Prompt springt Stanley - die tot dan toe rusig op de bank heeft liggen soezen - op om het op te knabbelen. “Hier en daar zie je verbetering in de veehouderij: politici pleiten bijvoorbeeld eerder voor inentingen, zoals nu bij blauwtong. Maar wat mij bedrukt is dat dat gepaard met een enorme terugslag die veel verder gaat. Het is één stap vooruit, twee stappen terug. Bijvoorbeeld met de vogelpest. Al die – of nee, die paar - biologische kippen die buiten liepen, moesten als de sodemieter naar binnen. Waardoor alles wat er gewonnen was in één klap werd weggevaagd. Wat erger is: de bio-industrie heeft het probleem op het bordje van de biologische kippen en de trekvogels gelegd. Maar stel dat de vogelpest inderdaad uit de natuur komt. Dan zou je de pluimveehouderij moeten aanpassen aan die natuurlijke begrenzing. Het tegendeel gebeurt: de natuur wordt aangepast aan de veehouderij. Daar word ik gedeprimeerd van. Om niet depressief te worden, moet ik het negeren.”
Rond 1994 begon Van Zomeren over koeien te schrijven. “In die tijd ging ik er van uit dat de melkveehouderij een betrekkelijk diervriendelijke uitzondering was in de veehouderij: de laatste echte boeren. Maar langzaam maar zeker zie je dat ik mijn vroegere standpunt moet verlaten: je ziet de koeien uit het landschap verdwijnen. Zo is het met de kippen en varkens ook gegaan. Dat was de schok van de varkenspest. Toen ze ineens te voorschijn kwamen, in grijpers.
“'Ja, maar de natuur is ook wreed'”, wordt dan wel gezegd. Het is niet zo dat de natuur niet wreed is. Maar wij moeten daar niet nodeloos wreedheid aan toevoegen. Dat geldt ook voor de omgang van mensen onderling. Maar wat mensen elkaar aandoen, kan altijd wederkerig zijn. Dieren doen ons niets aan. Je moet mensen verantwoordelijk houden voor de omgang met dieren: de bio-industrie moet verboden worden. Wat voor ethiek is het om mensen de keus voor vlees van gemartelde dieren te bieden? Dat is niet ethisch. De bio-industrie is immoreel voor alle betrokkenen.” Van boer, tot supermarkt, overheid en consument.

Lieve boeren
Wat volgens Van Zomeren niet wil zeggen dat intensieve veehouders foute mensen zijn. “Ik ben nooit genegen geweest de intensieve veehouderij met de holocaust te vergelijken”. Zoals Robert Long en Paul Cliteur, latere ambassadeurs van de Stichting Varkens in Nood, wel deden. “In tegendeel: aan al die boerenkeukentafels vinden de leukste gesprekken van Nederland plaats. Een lieve kampbeul bestaat niet, lieve boeren in de bio-industrie wel. Toch moeten ook die aangesproken worden op hun verantwoordelijkheid.” Ook omdat er een kleine voorhoede van boeren is die niet mee doet aan de praktijken in de bio-industrie. “Ik ben een keer in de Betuwe bij een bedrijf met zeugen geweest. Die zei tegen mij: 'Ik ben gewoon doorgegaan waar mijn vader gebleven was en heb op een gegeven moment maar eens een eko-keurmerk aangevraagd'. Met wat kleine aanpassingen bleek hij er gewoon aan te kunnen voldoen.” Ook ter ondersteuning van zulk soort mensen moeten we volgens Van Zomeren de intensieve veehouders blijven aanspreken.
Zelf gaat Van Zomeren voor zijn vlees naar de biologische slager. “Voor sommigen – die vlees eten scherp veroordelen – zal ik daarmee wel hebben afgedaan. Zelfs binnen de sfeer van geestverwanten kunnen besluiten nog heel anders uitvallen.” Te veel affiniteit met dieren is trouwens ook niet goed, voegt hij er aan toe. ¨ Bijna een even groot kwaad als te weinig affiniteit. Sommige dieren worden door mensen heel erg binnen hun eigen sfeer getrokken. En daarvan krijgen ze ook al die ziektes die mensen ook krijgen, vezucht en welvaartsziektes. Daar worden ze buitengewoon lelijk van. Terwijl lelijke dieren in de natuur niet voorkomen. Ja malibu’s, maar dat is het model: ze zijn allemaal gelijk. De mens is best mooi. Maar als je dan in Arnhem rondloopt: ongelooflijk hoe mensen zich kunnen toetakelen.”

Flegma
Met het vertrouwde landschap, is ook een bepaald levensgevoel verdwenen, volgens Van Zomeren. “Dat zou je kunnen betreuren. Wat voor levensgevoel dat is? Niet zozeer gelukkig zijn – mensen dachten vroeger niet in termen van geluk - maar een soort flegma, berusting: het leven is zoals het is. Leren leven met je tekortkomingen. Daarvan zou je nu iets meer willen zien. Dat levensgevoel is onlosmakelijk verbonden met het landschap.” Het landschap was zoals het was. Inmiddels “is het gereduceerd tot een ruimtelijke constructie waarin mensen geld verdienen en uitgeven” en wordt daartoe voortdurend op de schop genomen.
Daarmee leent het zich niet meer goed voor het projecteren van religieuze gevoelens. Aan het eind van zijn Nieuw Herwijns dagboek schrijft Van Zomeren: “Geloof in God, geloof in socialisme, geloof in natuur en landschap (in die volgorde); Het verlies van het ene geloof na het andere.” Van Zomeren licht het toe: “Het leven is zo vluchtig. Je zoekt naar een verstandhouding met de eindigheid, met dingen die langer duren dan één mensenleven. Daartoe had je ook het landschap. Nu gaan grote delen van het landschap korter mee dan een mensenleven. Dat is fundamenteel anders dan tijdens het leven van onze grootouders, die in hetzelfde landschap leefden als toen ze klein waren.”
Dat heeft ook zijn weerslag op de literatuur. “Romanschrijvers uit bijvoorbeeld Rusland, Amerika, Noorwegen situeren hun personages in de natuur. Het landschap is een decor, groter dan de mensen. De bedoeling van de schrijvers is dat kleine menselijke gedoe af te zetten tegen de grootsheid van het landschap. In Nederland is het landschap kleiner dan de mensen en daar ongeschikt voor geworden. Dat vind ik een verlies.” Niet zo vreemd dus eigenlijk dat zijn laatste boek een dichtbundel is: “Anders dan in de literatuur heb je in poëzie genoeg aan één klein slootje.”

Gepubliceerd in Milieudefensie Magazine, november 2007
Foto: Liesbeth Sluiter