“Wie vinden we dat we zijn?”

Natuurhoogleraar Schouten over natuur en levensvragen

“Er is geen dier op aarde of Allah houdt het bij zijn kuif vast”. Een uitspraak in de Koran die hem trof, toen hij bestudeerde hoe de grote wereldgodsdiensten, inheemse volkeren, filosofen en kunstenaars tegen natuur aankijken. Matthijs Schouten: ecoloog, godsdienstwetenschapper, hoogleraar natuurbeheer, huisfilosoof van Staatsbosbeheer, Ierlandkenner en boeddhist. “Onze omgang met de natuur verandert niet als we het beeld van onszelf niet onderzoeken.”



Het Boeddhabeeld in de Nieuwe Kerk in Amsterdam komt uit zijn eigen collectie. Het staat er temidden van zo’n honderdvijfenzeventig andere kunstwerken tot 23 oktober op de tentoonstelling Wereld Natuur Kunst, die hij namens Staatsbosbeheer mede opzette.
Hoe wordt er in het Westen, de islam, het Oosten en bij inheemse volkeren tegen natuur aan gekeken, is daar de centrale vraag. En zijn we ons er van bewust dat onze manier van kijken naar de natuur cultureel bepaald is? Matthijs Schouten is hoogleraar natuurherstel in Wageningen, werkt als ecoloog “en tegenwoordig ook als natuurfilosoof” bij Staatsbosbeheer, is hoogleraar aan universiteiten van Cork en Galway in Ierland, waar hij bekend staat als strijder voor het behoud van veengebieden. En hij is praktiserend boeddhist. Dat is nogal wat. Een interview met Schouten gaat dan ook over heel veel, maar via natuur en milieu uiteindelijk over existentiële vragen.
Urenlang zwierf hij in zijn jeugd door bossen en velden. “Mijn kindertijd in Midden-Limburg was gevuld met natuur.” Niet zo gek dus dat hij vervolgens biologie ging studeren in Nijmegen, bij de befaamde botanicus Victor Westhoff. “In hem trof ik een erg bevlogen natuurbeschermer.” Zelf werd hij bevlogen over de duizenden jaren oude hoogveengebieden in Ierland, waar hij promotie-onderzoek deed. Maar zijn onderzoeksgebieden werden in de vorm van turf in sneltreinvaart opgestookt voor de elektriciteitsproductie, zonder dat iemand daar om maalde. Schouten begon de publiciteit te zoeken en actie te voeren en na jaren is het hem gelukt veengebieden beschermd te krijgen, wat hem in Ierland een eredoctoraat en hoogleraarschappen opleverde. Dat wil niet zeggen dat hij nu na afloop van zijn collegeblokken in Cork en Galway altijd vrolijk terugkomt, want ook buiten de veengebieden gaat er veel waardevols verloren. “Ierland in de jaren zeventig, was zoals Nederland in de negentiende eeuw met elk weiland vol bloeiende bloemen, orchideën langs de weg en zo. Maar sinds Ierland zich heeft ontwikkeld tot Celtic Tiger is de natuur zo snel achteruit gegaan, daar word ik uitermate bedroefd van.” Minister Brinkhorst van Economische Zaken beweerde nu juist ten overstaan van de redactie van Milieudefensie Magazine dat Ierland een mooi voorbeeld is van een land waar flinke economische groei goed samengaat met milieubehoud. “Dat heeft hij niet goed, dan moet hij maar eens komen kijken. Veertig procent van het Ierse oppervlaktewater is vervuild, terwijl dat twintig jaar geleden twee procent was, bijvoorbeeld.”
Met de Nederlandse natuur gaat het ook helemaal niet goed en dat moet harder geroepen worden, vindt hij, om natuur en milieu terug op de maatschappelijke agenda te krijgen. Maar ondanks de telooorgang van natuur en landschappen is hij geen somber mens. “Mohammed heeft gezegd, met een tak van een dadelpalm in zijn hand: ‘Als morgen de dag des oordeels zou zijn, zou ik vandaag nog deze dadel planten.’” Die uitspraak doet ergens aan denken: die was toch van Maarten Luther, die het dan over het planten van een appelboom heeft? Schouten glimlacht. “Mohammed leefde negen eeuwen eerder dus het lijkt er sterk op dat Luther die uitspraak uit de islam heeft.”

Vergelijkende godsdienstwetenschappen, dat is wat Schouten behalve biologie - en en passant Keltische taal- en letterkunde - ook nog studeerde. Die twee interesses komen samen in het boek ‘Spiegel van de natuur, het natuurbeeld in cultuurhistorisch perspectief’, dat het zelfde thema heeft als de tentoonstelling in de Nieuwe Kerk (en een vernieuwde en met islam en hindoeïsme aangevulde eerdere versie van het boek is, dat vier jaar geleden verscheen).
“Natuur is niet weg te denken uit de cultuur”, vertelt Schouten. “Elke cultuur heeft nagedacht over de vraag hoe de mens zich verhoudt tot de natuur en over de relatie die natuur en mens hebben met wat ik maar even noem het bovennatuurlijke. Enerzijds wordt er heel verschillend gedacht, anderzijds zijn er hele treffende overeenkomsten in natuurbeleving. Zodra mensen gaan nadenken over de verhouding natuur-mens, gaat het uiteenlopen. Maar de natuur ervaren, de natuur voelen en de verwondering die daar uit blijkt is in essentie overal hetzelfde.” In zijn colleges leest Schouten regelmatig een aantal verschillende natuurgedichten voor: eentje uit India in de vijfde eeuw, een ander uit Ierland in de achtste eeuw, uit islamitisch Andalusië in de twaalfde eeuw, uit Japan in de zeventiende eeuw, uit Mexico in de twintigste eeuw. “Nooit weten de studenten te raden uit welke tijd en uit welke cultuur het stamt. Of je nu kijkt naar mystieke stromingen in het jodendom, christendom of islam, naar Japanse Zenmeesters, als je alle theologische concepten en beelden wegpelt, is er overal een bijna identieke bewondering voor de schoonheid van de natuur en verwondering over het mysterie van het leven.”
Wel is er in het Westen vanaf de Renaissance een scherpe scheiding ontstaan in de manieren van kijken naar de natuur. Het meetbare, kenbare, grijpbare van de natuur is heel sterk ontwikkeld en weggegroeid van het voelen en ervaren. Die natuurwetenschappelijke kijk en het gebrek aan waardering voor het voelen heeft volgens Schouten de natuurbescherming geen goed gedaan. “Decennialang is de Socratische, verstandelijke benadering gebruikt. Gooi er een boel getallen tegenaan van uitgestorven beesten en bedreigde biodiversiteit en mensen raken bezorgd en gaan zich inzetten voor natuurbehoud, was de redenering. Maar langzamerhand hebben mensen dat verhaal ergens weggeparkeerd. En ik geloof zelfs dat daardoor de betrokkenheid van mensen juist is verdwenen. Betrokkenheid bij de toekomst van de natuur is onmogelijk met volledig abstracte, celebrale gegevens. We moeten vooral ook die andere lijn van de directe natuurbeleving volgen, van de verwondering over die prachtige koekoek. Dichter bij het hart, zonder zweverig te worden.”

Uitgebreid onderzoek naar natuurbeelden in de islam deed Schouten voor de nieuwe versie van zijn boek en de tentoonstelling. “Vroeger zat ik vol met vooroordelen over de islam”, zegt hij. “Over vrouwenonderdrukking, extremisme etc. Dat is er allemaal, net zoals het christendom dat ook heeft gekend. Maar inmiddels vind ik dat mensen die zeggen dat de islam een achterlijke cultuur is, hun mond moeten gaan wassen. Die cultuur is beslist niet achterlijk. De meest prachtige filosofieën en de meest verlichte denkbeelden over onze plaats hier op aarde heeft ze voortgebracht. De volgende uitspraken in de Koran troffen me erg: ‘Er is geen dier op aarde of Allah houdt het bij zijn kuif vast. En de vogels die hun vleugels uitspreiden en intrekken worden alleen door de Erbarmer vastgehouden’. Ook uit de woorden van de Profeet blijkt een grote zorg voor de schepping.”
Het is niet zo verwonderlijk dat er veel overeenkomsten zijn tussen de islam, het jodendom en het christendom: ze hebben dezelfde wortels en nemen alledrie de Hebreeuwse bijbel als uitgangspunt. Toch zijn er wel verschillen in de manier waarop ze tegen de natuurlijke omgeving aankijken. “In Genesis staan twee uitermate cruciale zinnen. De ene, die wel zes keer wordt herhaald is dat God, nadat hij de wereld had geschapen ‘zag dat het goed was’. Een erkenning van het feit dat de schepping perfect is. Maar er staat ook een andere cruciale zin in. ‘Vermenigvuldigt u en heerst over de aarde’. Dat beeld van heerserschap is in het christendom meer uitgewerkt dan in de islam en het judaïsme. Dat komt vooral doordat de vroege christelijke theologen nogal beïnvloed zijn door de klassieke filosofie waarin gesteld werd dat de natuur ten behoeve van de mens is ontworpen. Cicero bijvoorbeeld schreef: we hoeven maar naar de schapen te kijken dan zien we dat die gemaakt zijn om de mens wol te leveren. We hoeven maar naar een os te kijken om te zien dat zijn nek er is om het juk te dragen.’” Met de Verlichting wordt de idee dat de natuur zo nuttig mogelijk door de mens moet worden gebruikt nog eens versterkt. Dat wil volgens Schouten trouwens niet zeggen dat er voor een meer respectvolle omgang met de natuur niet kunnen putten uit onze eigen culturele traditie. “De westerse cultuur is heel utilistisch, maar niet alleen maar.” De christelijke mystici uit de Middeleeuwen, Franciscus van Assisi, Spinoza, de romantische filosofen zoals Schelling, meer moderne filosofen zoals Whitehead, leveren volgens hem allemaal een besef van ‘eenheid van al wat is’, dat een basis zou kunnen bieden voor een zorgzame omgang met de aarde.
Ziet Schouten in zijn groene analyse van de Islam en westerse cultuur ook aanknopingspunten voor meer begrip tussen westen en de moslims, wereldwijd? “De Amerikaanse onderzoekster Patricia Mische heeft gezegd dat het grote wereldprobleem van de toekomst niet de clash tussen de verschillende culturen is, maar het feit dat binnen enkele decennia tenminste twintig procent van de wereldbevolking ecologisch vluchteling zal zijn. Grote delen van de aarde zullen niet meer leefbaar zijn en de mensen die er wonen, trekken naar de welvarende gebieden waar er nog wel genoeg van alles is.”
Dat brengt Schouten op de stelling dat “we niet te maken hebben met een milieucrisis maar met een identiteitscrisis. Onze omgang met de natuur verandert niet als we het beeld van onszelf niet onderzoeken. Wie vinden we wat wij zijn? De manier van omgaan met natuur en milieu zegt iets over hoe wij onszelf zien. Op het moment dat we de aarde zó uitputten en steeds meer mensen daar last van krijgen en we dat vervolgens als mensen gewoon zo laten, dan zijn wij egoïstisch, individualistisch. Als je je niet interesseert voor het lot van de mensheid nu en na ons, heb je geen interesse voor de medemens an sich. Dan ben je zelfzuchtig en narcistisch. Ik vind dat hier wezenlijke ethische vragen naar voren komen. We leven in een snelle tijd waarin zelfzuchtig materialisme simpelweg kan en mag en zelfs wordt bewonderd. Maar het wringt. Het zal zijn failliet bewijzen. Je komt toch steeds meer mensen die zich afvragen, ‘waartoe ben ik op aarde?’” Het antwoord hoeft volgens Schouten niet per se binnen een religieuze context worden gevonden, “wel in ethische betrokkenheid.”
Het boeddhisme, dat Schouten zelf praktiseert, is volgens hem ook geen religie. “Het is een manier van omgaan met de werkelijkheid.” Met respect voor alles wat leeft als wezenlijk kenmerk. “Als kind al was ik ontzettend bezig met natuur, vogels, planten. Daar had ik automatisch respect voor. Mijn meest traumatische ervaring als kind deed ik op toen ik zeven, acht jaar was. Ik had een veldmuisje op mijn hand gezet en toen het me in mijn vinger beet, schrok ik daar van, sloeg het in een reflex van mijn hand en het muisje verpletterde tegen een muur. Ik denk er nog regelmatig aan. In mijn omgeving was het ook normaal dat er varkens en koeien werden geslacht. Daar kon ik niet goed tegen. Toen kregen we op school een godsdienstleraar die zei ‘het christendom kennen jullie al, dus dat sla ik over, ik begin bij het boeddhisme. Dat zegt dat je geen enkel wezen dat kan voelen dood mag maken.’ Toen wist ik het. Ben heel veel gaan lezen over het boeddhisme.” Er is zelfs een moment geweest dat hij overwoog het boeddhistische klooster in te gaan, maar uiteindelijk koos hij er toch voor midden in de wereld te staan.
“De essentie van het boeddhisme is omgaan met ons lijden, onze pijn, ons onbevredigd zijn. We verlangen voortdurend iets voor onszelf. Dat kun je niet bevredigen, want er ontstaan voortdurend nieuwe verlangens. Terwijl als je dat verlangen weet te stillen, er ruimte ontstaat. Als je in rust bent tijdens de dagelijkse meditatie, de belangrijkste oefening in het boeddhisme, komt de hele wereld in je hart, is er automatisch mededogen met andere levende wezens. Dus ‘ja’ is het antwoord als je vraagt of het boeddhisme iets kan beteken voor onze samenleving. In onze cultuur is het verlangen tot deugd verheven. Ben je zelfs een beetje achterlijk als je niet voortdurend iets voor jezelf verlangt. Het is ook de belangijkste drijfveer van het kapitalisme met zijn voortdurende economische groei. ‘Waar is dat nu eigenlijk voor nodig, die economische groei?’, heb ik aan veel economen gevraagd. En als je er dan lang met ze over praat, dan moeten ze uiteindelijk toegeven dat het nergens voor nodig is.” Wanneer de Boeddha spreekt over over minder verlangen, meer rust binnen jezelf en meer mededogen voor de wereld is dat trouwens in essentie niet veel anders dan Jezus heeft gezegd, volgens Schouten. “De zelfloosheid, liefde, zorg voor alles wat leeft, in alle religies vind je dat terug.”
Maar boeeddhisme, was dat ook niet de werkelijkheid accepteren zoals die is? En dus ook allerlei maatschappelijke wantoestanden, waaronder milieu- en natuurvernietiging? “Mensen die dat zeggen, hebben het niet begrepen. De ene helft van de weg is inderdaad de werkelijkheid accepteren zoals die is, zodat begeerte en zelfzucht minder worden. Maar de andere helft is dat daardoor ruimte ontstaat in jezelf voor respect en liefde. In de harmonie van die twee ligt absolute betrokkenheid. Geen apathie dus. Ik ontdek steeds weer nieuwe dingen in het boeddhisme, maak zelf een ontwikkeling door, maar mijn vreugde over en betrokkenheid bij de wereld worden alleen maar groter.”

Gepubliceerd in Milieudefensie Magazine, september 2005
Foto: Liesbeth Sluiter