Stadsecoloog Martin Melchers

“Amsterdam is mijn biotoop”

Amsterdam heeft zo’n beetje de best onderzochte stedelijke natuur ter wereld. Met dank aan stadsecoloog Martin Melchers. Over top-natuurgebied Schiphol, het misbruik van de rugstreeppad en zijn levenslange trauma over IJburg. “Wat je goed in de gaten moet houden is je nietigheidsbesef.”

Tijdens het tellen van rugstreeppadden en mussen in Amsterdam, de afgelopen dagen, heeft de zon zijn gezicht bruin verbrand. Vandaar dat Martin Melchers (61) nu graag even in de schaduw wil zitten op het terras van het Muziekgebouw aan het aan het IJ. De uitgelezen plek
voor de schrijver van ‘Haring in het IJ - de verborgen dierenwereld van Amsterdam’. Het boekje waarmee hij zo’n vijftien jaar geleden zijn reputatie als stadsecoloog van Amsterdam vestigde. Daarna volgden meer boeken (‘Paardenbijters en Mensentreiters - De veelpoters van
Amsterdam’ en ‘Sijsjes en drijfsijsjes – De vogels van Amsterdam’), vaak in samenwerking met andere Amsterdamse groenliefhebbers. Dankzij het onderzoek dat aan die boeken ten grondslag ligt, heeft Amsterdam, samen met Berlijn en Londen, de best onderzochte stedelijke natuur ter wereld. De tekst voor ‘Leven in de stad’, het nieuwste boek (samen met Johan van Zoest), is klaar en ligt eind dit jaar in de boekwinkel. Eén vraagje is voldoende voor lange gepassioneerde verhalen over Aziatische korfmossels, blauwe zwemkrabben, trompetkokerwormen en “ontzettend veel ander mysterieus’ buiten de mensenwereld.”
Die ochtend zijn er in Amsterdam nog weer drie nieuwe soorten gevonden. “Hier in het IJ de zwarte grondel, een visje van veertienenhalve centimeter die alleen bekend was in de Zeeuwse wateren. Op de Diemer Zeedijk een smaragdlibel. En een kleine klap-ekster. Maar goed, dat laatste zegt niet zoveel: de hele vogelgids vliegt hier over.” Wat hij er mee zeggen wil: er is altijd weer wat nieuws te beleven in de Amsterdamse natuur. “Toen ik het boekje ‘Haring in het IJ’ schreef, dacht ik de natuur van Amsterdam wel te kennen. Tot ik meeging met vissers op het IJ, die me vertelden dat er hier kabeljauw, wijting en haring zwemt.” De ontdekkingstocht in de Amsterdamse natuur is nooit ten einde. ”Het begrip hangjongere is mij vreemd. Je bent een lamstraal als je zegt dat je je verveelt. Mensen die geboeid zijn door het
leven op aarde, vervelen zich nooit. Het is uniek. Het wonder dat je overal ziet: je moet je best doen die korte tijd dat je leeft daar een beetje contact mee te krijgen.”
Rondstruinen Melchers doet zijn best, zolang hij zich kan herinneren, in Amsterdam, waar hij is geboren en
getogen: “Amsterdam is mijn biotoop.” Waar gaat die jongen toch naar toe, vroegen zijn ouders, meesters en juffen zich af als Melchers zijn laarzen aantrok en urenlang wegbleef.
Toen de meester op verzoek een keer mee mocht, naar de opgespoten velden rond Amsterdam, raakte hij prompt onder de indruk van de kemphaaneieren, leeuweriknesten en
jonge kluten die leerling Melchers er wist te vinden, en gaf hem nooit meer een onvoldoende. Als elfjarig jongetje gaf hij zijn schrift met foto’s en aantekeningen over zijn bevindingen de
titel ‘Natuur in Amsterdam’. Maar bioloog is hij nooit geworden. “Ik ben puur een autodidact op het gebied van stedelijke ecologie”. Kantoorbaantjes heeft hij gehad, bij een grafische
drukkerij gewerkt, grammofoonplaten verkocht. Dat was het allemaal niet. “Even heb ik in mijn leven wel op een splitsing gestaan: ga ik beroepsmatig iets met natuur doen? Maar ik
vind dat je van je hobby niet je beroep moet maken, want dan sterft je hobby.” Fysiotherapeut werd het, zodat hij in ieder geval ook niet achter een bureau hoefde te zitten. “Dat heb ik
vijfendertig jaar met veel plezier gedaan.”
Rondstruinen bleef hij in zijn vrije tijd altijd doen. Op zoek naar vooral fauna, “planten kan altijd nog, dat is meer iets voor als je bejaard bent”. Naar veldleeuweriken bij de Diemerzeedijk, aalscholvers en snoekbaarzen in de Amsterdamse haven, naar koolmezen en atalantavlinders op struiken in plantsoenen en stadstuinen en honderden andere beesten.
Met ‘Haring in het IJ’ ging hij vooral in op ‘moeilijk zichtbare groepen’: beesten die mensen niet te zien krijgen, zoals slangen, amfibieën en kleine zoogdieren. Toen hij met de research voor zijn boekje bezig was, stapte hij naar de gemeente en vroeg: “Wat weten jullie daar van?” Niks wisten ze. Hij vroeg een bijdrage voor het maken van het boek en niet veel later kwam hij voor een paar uur in dienst van de gemeente Amsterdam. Om de natuur in de stad te inventariseren, er voorlichting over te geven en een netwerk van natuurinformanten te onderhouden. Melchers was stadsecoloog geworden. “Stads-idioot, ha, ha, want waarom zoek ik dat toch allemaal uit?!” Sinds vorig jaar is hij helemaal fysiotherapeut af en is het er toch van gekomen dat zijn hobby zijn beroep is, die paar jaartjes tot aan het pensioen.
Gezondheid “De grootste opgave voor deze tijd is: hoe houden we onze steden leefbaar en dus groen,
bereikbaar groen. Steden met longen. Sinds vijfduizend jaar wonen mensen in de steden, terwijl we als soort mens zo’n 150.000 jaar bestaan. Een fractie van die tijd wonen we pas in
de stad. Dat gaat in een versnelling door. Over vijfentwintig jaar woont 84 procent van de mensen in Europa en de VS in de stad. De stedelijke omgeving moet goed zijn, dat wil onder
andere zeggen met voldoende groen. Als die biotoop niet klopt, gaat het fout. Gezondheid wordt enorm beïnvloed door natuur. Alleen al als je mensen beelden laat zien van een stenige
stad krijgen mensen stressverschijnselen, stijgt de bloeddruk, gaan ze zweten.” Vandaar ook dat natuur in en bij de stad “ontzettend veel belangrijker is dan daarbuiten: ik heb liever dat er kikkers kwaken in het Vondelpark, dan op de Veluwe.”
Amsterdam is behoorlijk goed af met zijn groen, vindt Melchers. “Je moet groene lobben - scheggen zeggen wij - hebben die de stad in lopen. Kenmerk van natuur in
Amsterdam en andere steden is een gradiënt: in het centrum is de soortenrijkdom laag, maar neemt, naarmate je richting de randen van de stad gaat, steeds meer toe. Aan de stadsrand zie je de meeste planten en beesten. Daarna neemt het weer af: het buitengebied – de landbouw – is te beschouwen als bedrijfsterrein.” De stad is dus voor de ecoloog interessanter dan de overbemeste en intensief bewerkte akkers en weiden van het platteland.
Amsterdam is een stad gebouwd op en in het water. De kwaliteit van dat Amsterdamse water is niet meer zo slecht. “Het water in het IJ wordt elk jaar beter: giflozingen in de Rijn
komen door strenge milieuwetgeving niet meer voor.” Melchers merkt dat aan de kreeften, schelpdieren en vissen die hij uit de Amstersdamse wateren vist om op te eten. “De snoekbaars was vroeger niet te vreten. Maar nu is het een delicatesse, het wordt zelfs geëxporteerd naar Frankrijk. Ook vissen die zich in de bovenloop van de rivier voortplanten zoals de rivierprik komen weer voor”. Met de kwaliteit van de lucht is het níet zo goed gesteld. “De overheid moet mij in een schone auto dwingen”. Voor de menselijke gezondheid dan, want “de natuur heeft niet echt meetbaar last van vuile lucht. Schiphol is een topnatuurgebied, zeker sinds de vijfde baan er ligt. Er zit een populatie kleine marterachtigen, de toename van kerk-uilen is spectaculair, er zitten veel veld-uilen en het is er een bolwerk van leeuweriken. Terwijl die allemaal toch een groot deel van de dag kerosine inademen.” Maar hebben die beesten dan geen last van de herrie? “Als het ergens heel erg lawaaiig is, zijn er
geen zangvogels. Een vliegtuig trekt op met gebrul en daarna sterft het geluid weg. Een snelweg is anders, dat is meer als een permanente cirkelzaag.” Daar kunnen vogels wél hinder
van ondervinden. Melchers vertelt over een Amsterdamse vogelaar die zeven jaar lang de broedvogels in het Rembrandtpark heeft geobserveerd. Vanaf het moment dat er een geluidwerend scherm langs de A10 aldaar werd gezet, lijkt het aantal zangvogels toe te nemen. “Het lawaai was afgenomen en dan geldt voor vogels: zingen heeft zin. Want ze worden gehoord door soortgenoten.”

Halsbandparkieten
Per saldo is de soortenrijkdom er in Amsterdam op vooruit gegaan, denkt Melchers. Vooral sinds er zo’n tien jaar geleden een verbinding is gekomen tussen de Rijn en de Donau,
zwemmen er om de haverklap nieuwe beesten in het IJ. “Vlokreeften die uit de Kaspische Zee komen en roofbleien uit de Donau. Moet je je de kaart van Europa en Azië er eens bij
voorstellen: wat een afstanden.” Of het erg is dat die nieuwe soorten allemaal ‘exoten’ zijn, soorten die hier van oudsher niet voorkomen. “Natuurlijk is dat niet erg. Als je dat wel erg
vindt, ga je op de stoel van Onze Lieve Heer zitten. Er is een sterke stroming in de ecologie, ook in het officiële beleid, die zegt: ‘exoten moeten dood, want het is slecht voor de
biodiversiteit’. Wat een onzin.” Melchers wijst naar buiten. “Kijk, daar vaart weer een tanker met van alles aan boord. Wij slepen allerlei spullen de hele wereld over en dan zouden die
beestjes hier niet mogen komen. De aardappel was ook een exoot. De driehoeksmossel hebben we hier sinds 1826. Er vlogen vorig jaar achttienhonderd halsbandparkieten in Amsterdam: als
je hier lang genoeg bent, ben je exoot af.”
Het wil trouwens niet zeggen dat we niet onze best moeten doen om de inheemse soorten hier te houden. De rugstreeppad is Melchers’ lievelingsamfibie. Een groot deel van de
Europese populatie rugstreeppadden huist in Nederland. Beschermd door Flora- en Faunawet en Europese regels: “De laatste jaren ben ik veel in de weer met zwaar beschermde soorten. Daarmee heb je iets in handen. Ik snap dan ook niet zo goed waarom iedereen tegen de Europese grondwet heeft gestemd: je moet iets bovennationaals in handen hebben om iets voor de natuur te kunnen doen.” Regelmatig moet Melchers komen opdraven om te onderzoeken of op toekomstig bouwterrein rugstreeppadden huizen. Zo ja, dan betekent dat
meestal een flinke domper voor de bouwers. “Als ik wil, kan ik emmers beschermde dieren vinden. Ik kan al die projecten frustreren. Ik ben eigenlijk een wandelende tijdbom.” Maar zo
is hij niet. Melchers vindt dat de zeldzame soorten niet misbruikt moeten worden in de strijd tegen bebouwing. Hij heeft eens meegemaakt dat een groep bewoners die zich verzetten tegen bebouwing in hun buurt, de rugstreeppad er hadden neergezet, vlak voordat Melchers het
gebied kwam inventariseren. “Maar dat kon toen nog helemaal niet, want hij was nog in een winterslaap. Ik ben in wezen wel voor die actiegroepen, maar die rugstreeppad wordt in een
rol gedrongen die onwaardig voor hem is. Het gaat om de instandhouding van de populatie.”

Huilen
Toch gaat het hem niet alleen om de ecologie, puur de plantjes en de beestjes. “De wereld waarvan ik hield, is grotendeels veranderd en vernield”, schrijft hij in het boekje
Onverklaarbaar Gelukkig (samen met twee Amsterdamse vrienden over natuurervaringen). En dan doelt hij op groene stukken aan de rand van de stad die verdwenen. “De aanleg van IJburg is emotioneel gezien de grootste knauw die ik heb gekregen. Toen bekend werd dat IJburg doorging, heb ik twee dagen lang naar een punt in de tuin zitten turen. Ik ken volwassen mannen die hebben zitten huilen.” De ideale stad, legt Melchers uit, is een stad waar ergens een deur in zit. Een deur waardoor mensen naar binnen en naar buiten kunnen. “IJburg heeft die laatste deur op slot gegooid, een deel van de charme van Amsterdam is ermee voorgoed verloren gegaan. Ik was er met hart en ziel tegen. Hoe is het mogelijk dat een overheid dát doet.” Hij heeft wel een oplossing voor die opgelopen kwetsuur: “Ik moet gewoon dood. Ik
ben nu eenenzestig. Als het heel erg meezit mag ik nog twintig jaar mee. Maar mijn zoon, denk je dat die er last van heeft dat de deur van Amsterdam is dichtgegooid?”
De Nederlandse natuurstudie begon ruim honderd jaar geleden in Amsterdam. Met Jac. P. Thijsse die er met zijn leerlingen op uit trok en daar boekjes over schreef. Melchers staat dus
in een respectabele traditie en zijn reputatie reikt tot in het buitenland: “Onlangs wilden Spanjaarden weten wat ik vond van hun boekje Los Amfibios y Reptilos de Madrid of zoiets.”
Maar de status van best onderzochte stedelijke natuur is niet voor de eeuwigheid. “Over een paar jaar heffen ze die gemeentelijke afdeling ecologie misschien wel weer op. En dan was dat in de geschiedenis een kleine episode waarin er veel aandacht was voor natuur. Wat je goed in de gaten moet houden is je nietigheidsbesef. Het wonder van de natuur is heel groot. Zóveel groter dan de sprookjesachtige verhalen in religies. Er zijn mensen die zeggen: wij hebben geen natuur meer. Onzin. Op Manhattan zitten overal grijze eekhoorns, de
Monarchvlinder vliegt over Broadway, op de Wallen zitten Vlaamse Gaaien. Wij zijn niet in staat om ook maar een grasspriet te maken. En wij mensen zijn ook natuur.”


Gepubliceerd in Milieudefensie Magazine, juni 2006
Foto: Liesbeth Sluiter