De revolutie is aan de gang

Hoogleraar Jan Rotmans

Toen bijna niemand zich er nog mee bezighield, voorspelde Jan Rotmans al de huidige klimaatverandering. Nu ziet de bevlogen hoogleraar transitiekunde dat de samenleving drastisch aan het veranderen is naar een mooie, schone, leefbare maatschappij. ‘Ik doorgrond de tijdgeest juist.’

Er is een beweging gaande die met de week krachtiger wordt: van een maatschappij die draait om efficiency, economisch rendement en groei, gaan we naar nieuwe waarden als kwaliteit, vertrouwen en welzijn. Aldus Jan Rotmans, hoogleraar transitiemanagement, in zijn nieuwste boek ‘In het oog van de orkaan.’ Energie wordt steeds meer decentraal en duurzaam opgewekt, de zorg mensgericht en op wijkniveau georganiseerd, voedsel komt uit een moestuin of wordt anderszins grotendeels regionaal geproduceerd. Rotmans: ‘Dit is mijn twintigste boek en voor het eerst heb ik het idee dat mijn ideeën samenvallen met de tijdgeest.’

Tot nu toe was hij zijn tijd meestal ver vooruit. Als toegepast wiskundige was Rotmans één van de eersten die met klimaatmodellen rekende. ‘Changing climate’ heet het rapport dat hij in 1983 maakte voor het RIVM. In die tijd werd klimaatverandering nog door weinigen serieus genomen. Inmiddels is het gros van de wetenschappers overtuigd van de ernst van het probleem. ‘Tot nu toe heb ik vaak het gelijk aan mijn zijde gehad’. Rotmans is een activistische wetenschapper. Hij spreekt zich uit, lobbyt tegen nieuwe kolencentrales en was één van de oprichters van Urgenda (Actie-organisatie die Nederland sneller duurzaam wil maken). Maar hij heeft ook kritiek op de duurzaamheidsbeweging. Die is volgens hem te lief en te aardig en realiseert zich onvoldoende dat een transitie gepaard gaat met tegenstand en machtsstrijd. In zijn werkkamer van de Rotterdamse Erasmus Universiteit vertelt hij over zijn visie op een wereld die grondig aan het veranderen is.

Een wiskundige die werkt aan een betere wereld, dat lijkt op het eerste gezicht geen voor de hand liggende combinatie.
‘Ik ben een puzzelaar, een rekenaar en wilde tegelijkertijd altijd al de wereld mooier maken; ik kan niet tegen onrechtvaardigheid. Als je beter begrijpt hoe de wereld in elkaar zit, samenhang ziet en verbanden, kan kun je ook werken aan de optimale oplossing. Natuurlijk, de praktijk is weerbarstiger dan wiskundige modellen. Maar die manier van werken is wel wat we doen in de transitiekunde: op een interdisciplinaire wijze proberen te snappen hoe ingrijpende veranderingen in de maatschappij werken.  We zijn er nog lang niet, maar we begrijpen het  steeds beter.’

Dagblad Trouw analyseerde onlangs dat duurzaamheid de nieuwe religie is. Daarbij draait het om verbinden met de aarde en elkaar als zingevend perspectief. U bent het daar niet mee eens.
‘Ik heb me daar nogal boos over gemaakt. Je kunt van mij veel zeggen, maar niet dat ik religieus gedreven ben. Transitiekunde is wetenschap. Door het als religieus te betitelen, doe je het vakgebied enorm tekort. Wat is duurzaam? Als je daarbij de economie, ecologie en de maatschappij betrekt, dan is dat een heel complexe puzzel waarbij veel wetenschappelijke kennis en analyse komt kijken. Dat wil overigens niet zeggen dat alles via wetenschappelijke methoden te objectiveren valt: iedereen gaat uit van normen en waarden.’

In plaats van religieus zou je het duurzaamheidsstreven misschien levensbeschouwelijk kunnen noemen?
‘Daar heb ik minder moeite mee. We streven naar een ander soort samenleving, met nieuwe waarden, dat is een soort richtinggevend principe. Maar het nadeel is ook van dit label dat het andere kamp, die op de rem staat, duurzaamheid weg kan zetten als iets zweverigs. Heel veel bedrijven zijn met duurzaamheid bezig, die zien het als noodzakelijke innovatie: nieuwe verdienmodellen om zichzelf te redden. Als ze duurzaamheid niet centraal stellen, bestaan ze over tien, vijftien jaar niet meer.’

Volgens u staan we voor radicale veranderingen: van een hiërarchische, centralistische op fossiele brandstoffen draaiende samenleving, gaan we naar decentrale gemeenschappen van netwerken die energie, voedsel, zorg en sociale zekerheid duurzaam regelen. In hoeverre is dat een reële en kwantitatief onderbouwde ontwikkeling en in hoeverre whisfull thinking?
‘In de energiesector kun je het het makkelijkst meten. Lokale en regionale energie-initiatieven die met een combinatie van zon, wind en biomassa, energie opwekken, schieten als paddenstoelen uit de grond. Er zijn er inmiddels honderden en wekelijks komen er nieuwe bij, ook buiten Nederland. In 2015 zal zonnestroom waarschijnlijk goedkoper zijn dan gewone stroom en in 2025 zal vijftien tot twintig procent van de huishoudens zijn eigen stroom opwekken. Dat is een revolutie!

In andere sectoren is het wat moeilijker te kwantificeren, maar daar zijn soortgelijke ontwikkelingen gaande. De zorg zit duidelijk in een crisis: doorgeschoten zakelijkheid, overdaad aan protocollen, de menselijke maat is er zoek. Als reactie daarop zie je nieuwe initiatieven ontstaan met betaalbare, mensgerichte zorg, uitgaande van de heelheid van de mens, centraal in zijn eigen leefomgeving. Buurtzorg is daarvan het bekendste voorbeeld: vijf jaar na de oprichting werken er meer dan vijfhonderd zelfsturende wijkgerichte teams. De grote zorginstanties proberen dat nu te kopiëren.

Ik ben me er van bewust dat ik dergelijke ontwikkelingen door een ‘veranderbril’ bekijk, maar ik krijg veel respons van mensen die zich in de geschetste ontwikkeling herkennen.

Tien jaar geleden schreef ik ook al een boek over transitie. Dat werd niet zo goed ontvangen, terwijl ik niet weet of dit nieuwe boek zoveel beter is, wel praktischer. Ik druk nu blijkbaar op de goede plekken en doorgrond de tijdgeest juist.’

De transitie gaat niet vanzelf, zegt u. Sterker: het is een keiharde strijd met de gevestigde orde. Terwijl de duurzaamheidsbeweging volgens u vol zit met aardige maar tamelijk naïeve mensen, vies van de macht die onontbeerlijk is in die strijd. Maar doet de duurzaamheidsbeweging haar eigen waarden geen geweld aan, als ze zich van macht gaat bedienen?
‘Je hebt behoudende en destructieve macht, maar ook innovatieve en transformatieve  macht: daar moet de beweging het van hebben. Nog meer verbindingen aangaan, kennis en ervaringen verzamelen en delen en zo lobbykracht ontwikkelen. Dat past wél bij die nieuwe waarden. Honderd mailtjes naar een bedrijf over een misstand en zo’n bedrijf raakt in paniek: bedrijven zijn heel gevoelig voor publieke druk. Ze gaan overstag richting duurzaamheid, omdat ze bang zijn anders afzetgebied te verliezen.’

Als voorbeelden van koplopers noemt u in de voedingsbranche Mars, Lidl en Albert Heijn. Mars helpt via snoepautomaten op school kinderen aan overgewicht, Lidl levert voor een flink deel smakeloze, laagwaardige bulk en Albert Heijn knijpt toeleverende boeren uit waardoor het voor hen heel moeilijk wordt om duurzaam te produceren. Wat stelt dat koploperschap eigenlijk voor?
‘In de energiesector is het duidelijk: je hebt Nuon en Essent die achterlopen en Greenchoice en in mindere mate Eneco als koplopers. In de voedingswereld is het misschien wat lastiger te zien. Het gaat mij ook om het ambitieniveau. Dat Unilever zegt over tien jaar de omzet te willen verdubbelen en tegelijkertijd het energieverbruik te willen halveren. Bedrijven zelf zijn ook aan verandering onderhevig. Binnen bedrijven heb je koplopers, maar ook daarbuiten. In zo’n Duurzame Top Honderd van Trouw (waarin hij zelf de laatste keer op de veertiende plaats stond, MB), daar staan de echte helden niet in. De honderden, duizenden particulieren die al lang energieneutraal wonen en duurzaam leven, die dingen doen die ik niet voor mogelijk had gehouden. Dat druppelt door. En als kleine koplopers met grote spelers op gaan trekken, dan krijg je doorbraken. Zoals projectontwikkelaar Henk Seinen die al vele jaren energieneutraal bouwt en nu gaat samenwerken met BAM, de grootste bouwer van Nederland: uit die kruisbestuiving vindt de echte transitie plaats.’

In uw toekomstbeeld is er nog steeds sprake van economische groei. Heeft de groei van het Bruto Nationaal Product niet afgedaan als zinnig instrument om de toestand van een land te beoordelen? Het meet immers geen welzijn, geen geluk, geen duurzaamheid?
‘Ik vind dat groei een middel is en geen doel. De groene economie maakt nu twee à drie procent van de economie uit. Als je wilt dat het een serieuze tak wordt, moet dat groeien tot twintig procent. Dat is het kantelpunt, dan is de stap naar vijftig tot zestig procent niet ver meer. Ik denk dat dat gaat gebeuren. Als zonne- en windenergie nog goedkoper worden, worden dat scherpe concurrenten van fossiele brandstoffen. Je ziet nu al dat de grijze economie afbrokkelt.

Een groene economie is trouwens niet hetzelfde als een duurzame samenleving. Vergroening kan leiden tot meer ongelijkheid. Een retourtje Barcelona wordt dan drie tot vier keer zo duur en is dus niet meer voor iedereen weggelegd. Wij moeten onszelf fundamentele vragen durven stellen: Wat is écht belangrijk? En dan blijkt dat we best toekunnen met nog maar één keer op vakantie, lekker in de buurt, en met twee tot drie keer minder vlees. Zou jij met tien procent minder inkomen kunnen/? leven? Ik, wel met twintig procent minder. Negentig procent van de mensen kan best tien tot twintig  procent terug in inkomen.’

In uw boek schetst u een beeld van Nederland in 2050 als een waterrijke, groene kringloopeconomie, heterogeen van bevolkingssamenstelling en ruimdenkend, waarbij nationale grenzen zijn vervaagd. Verwacht u dat het in werkelijkheid zo zal uitpakken of is het een utopie?
‘Het is een vergezicht, als inspiratiebron, geen blauwdruk. Natuurlijk ziet het er in 2050 niet zo uit. Niemand kan dat weten. Maar ik ben ervan overtuigd dat bijvoorbeeld elk kantoor en gebouw zijn eigen energie zal leveren, dat alle vervoer elektrisch zal zijn en dat veel groenten uit de regio zullen komen. Elk voorbeeld dat ik noem voor 2050, bestaat nu al in het klein. Als die op steeds grotere schaal worden toegepast, worden ze dominant. Wij zijn tot mooie dingen in staat.


Gepubliceerd in Genoeg, lente 2013.