Henk Oosterling

Niet chillen maar eco-sociaal skillen

Henk Oosterling was nationaal kampioen Japans zwaardvechten, promoveerde cum laude in de filosofie en probeert er nu voor te zorgen dat Rotterdamse jongeren een echt vak leren. Zodat ze opgroeien tot verantwoordelijke ‘eco-sociale burgers’. ‘Tegen een muur oplopen? Ik loop er dwars doorheen’.

‘Ik ben directeur, supervisor, inspirator, smeedt kongsis en ik schroef de kapstok aan de muur.’ Dat laatste is geen grapje. Hij doet het echt en vanzelfsprekend, daar op de nieuwe werkplek van Rotterdam Vakmanstad aan de Westersingel: werkmannen zijn in de weer lampen en kabels aan te leggen, Oosterling schroeft haken in de muur. Denken én doen, met hoofd, hart en handen: dat is Henk Oosterling (1952). Studenten filosofie die bij hem op de universiteit stage komen lopen, zegt hij: ‘Je moet één ding kunnen als je hier wilt komen en dat is uien schillen.’ Oftewel: je moet op elk moment overal inzetbaar zijn. ‘Dat is integraal werken en dan niet met de mond beleden.’ De helft van de week is hij hoofddocent filosofie aan de Erasmus Universiteit, de andere helft aanjager van Rotterdam Vakmanstad. ‘Dat is een ontwikkelingsstrategie die het vakmanschap weer terug wil krijgen in de stad met een focus op de opleiding van jongeren.’ Die ‘interventie met eco-sociale inslag’ die Oosterling bedacht is in 2007 gestart op openbare basisschool Bloemhof met vier extra vakken. Wegens succes wordt die aanpak nu verder uitgerold over de stad.

Hij is altijd een Rotterdammer geweest. Als jongen in een havenarbeidersgezin mocht hij niet naar het gymnasium. Het werd de Mavo en via de Havo en de pedagogische academie haalde hij uiteindelijk toch op zijn 22e een gymnasiumdiploma. ‘Overal werd ik naar beneden getrapt omdat ik er niet bij hoorde.’ Vraag hem dus niet of hij weet wat tegenslag is. Hij was actief in de milieubeweging, ontwikkelde een ecologische methode voor kinderboerderijen, gaf les op de lagere school, ontwikkelde een lesmethode Nederlands voor gastarbeiders, studeerde filosofie en Japans en vertrok naar Japan. Daar bekwaamde hij zich onder andere in Kendo, een op zelfbeheersing gerichte zwaardkunst. Terug in Nederland werd hij nationaal kampioen en coach van het Nederlandse Kendoteam. Tot op zijn vijfenveertigste bleef hij Kendo en aanverwante Japanse vechtsporten op hoog niveau beoefenen. Ondertussen gaf hij filosofie aan de Universiteiten van Rotterdam en Tilburg en in 1996 promoveerde hij cum laude in dat vakgebied met het ruim zevenhonderd pagina’s tellende proefschrift ‘Door schijn bewogen - Naar een hyperkritiek van de xenofobe rede’. ‘Kan de filosofie in een wereld die inziet dat er na de teloorgang van metafysische, religieuze waarheden en politieke ideologieën geen nieuw omvattend verhaal meer gepresenteerd kan worden, nog richting geven aan de niettemin doorwerkende behoefte aan samenhang en zingeving?’ Is een van de vragen die hij aan het begin van zijn proefschrift opwerpt. Dat kan, liet Oosterling in de praktijk zien en horen, bijvoorbeeld tijdens de talloze Rotterdamse debatten op het gebied van kunst en politiek en in zijn samenwerking met beeldend kunstenaars, theatergezelschappen en filmregisseur Peter Greenaway. Vanwege zijn verdiensten voor het maatschappelijk en culturele leven ontving hij in 2008 de Laurenspenning van de stad, twee jaar nadat hij van start ging met Rotterdam Vakmanstad.

Of eigenlijk ligt de start van dat project al eerder: in 2004 hield hij de Rotterdamlezing, waarin hij zijn analyse maakte: in de transitie van arbeidersstad naar cultuurstad, is het vakmanschap ondergesneeuwd geraakt. Veel sociale problemen zijn volgens hem daarop terug te voeren. Toen Oosterling de vraag kreeg of hij zijn visie kon uitwerken, ging hij in gesprek met woningbouwcorporaties en scholen. Tegelijkertijd dacht hij als 55-jarige: ‘Ik kan hier wel tot mijn 65e op die volkomen ingekakte universiteit blijven zitten...’. In 2007 nam hij voor de helft ontslag en begon als ZZP-er om grote projecten als Pact op Zuid te adviseren en Rotterdam Vakmanstad van de grond te tillen. Dat wil zeggen: ‘Kinderen skills leren op een schaal waar materieel iets wordt geproduceerd zodat ze zich er verantwoordelijk voor voelen.’ Dat klinkt misschien vaag, maar vaag is nu juist de huidige digitale – niet-materiële - wereld waarin jongeren de fysieke binding met de werkelijkheid verliezen. Heel concreet uitgewerkt: op Openbare basisschool Bloemhof, in een van de meest problematische achterstandswijken van Nederland (95 procent allochtonen, een derde onder de armoedegrens), krijgen de kinderen sinds 2008 judoles, kookles, tuinles en filosofie.
Vier keer in de week eten de ruim driehonderd leerlingen van Bloemhof ’s middags een warme, verse, gezonde maaltijd, bijgestaan door dertig tot veertig moeders, waaronder een als sous-chef en stagiaires van MBO en HBO. ‘Je kunt de kinderen hier een groot mes geven, waar ze dan een appel mee schillen. Op andere scholen weten kinderen daar geen raad mee.’ ‘Hoe maakt u het’? is tegenwoordig een veel gehoorde vraag. Dan willen ze niet weten hoe het met de meester of de moeder van hun klasgenoot gaat, maar hoe de pasta met aubergine en kip wordt klaargemaakt. Of ze vragen: ‘Meester, zit er komijn in?’ ‘Kinderen ontwikkelen smaak, hopelijk ook cultureel.’
Dankzij de kooklessen en de gezamenlijke maaltijden leren de kinderen wat gezond eten is. Want dat kennen ze veelal niet. Ontbijt hebben veel leerlingen niet gehad, maar tussendoor wordt er wel uitgebreid gesnoept met zwaarlijvigheid en gebrek aan concentratie als gevolg. ‘Omdat ze met zijn allen samen op school eten, raken ze beter op elkaar ingesteld.’ Tijdens de tuinlessen zaaien de kinderen groenten, onderhouden en oogsten de school- en wijktuin en ervaren – met hun zintuigen - waar hun eten vandaan komt: uit de grond die verzorgd moet worden om te kunnen eten.
Tijdens de judolessen werken de kinderen aan hun mentale en fysieke conditie en daardoor aan hun eigenwaarde, met respect voor de ander. Tijdens filosofie leren ze argumenteren, in plaats van primair te reageren via het korte lontje: ’Leerlingen leren elkaar beter begrijpen, filosofie is een relationeel spel.’ Die vier vaklessen grijpen in elkaar en kweken een positieve onderlinge afhankelijkheid aan, is de bedoeling. ‘Ze vormen een eco-sociale cirkel: bewegen, koken, eten, verbouwen en reflecteren.’
De aanpak loopt nu ruim vier jaar en is gemonitord door het Verwey-Jonker instituut. Ondanks het koken en eten op school, is het overgewicht toch toegenomen. ‘Dat komt om dat ze thuis ongezond blijven eten.’ Daarom moet de aanpak breder, integraler volgens Oosterling. Op sociaal-emotionele ontwikkeling scoren de kinderen wél flink beter. De leerlingen zijn makkelijker aan te spreken, staan evenwichtiger op hun benen, zijn beter op elkaar ingesteld, kunnen beter argumenteren en na een enorme achterstand scoort de school met de Cito-toetsen nu boven het landelijk gemiddelde.

De op school gerichte aanpak is nu opgeschaald naar de wijk met het openen van een ‘Vakhuis’: een nieuw soort buurthuis voor jongeren van tien tot veertien, na schooltijd. Waar ze vakmanschap wordt bijgebracht in de techniek, zorg, gezondheid, ICT en cultuur. Anders dus dan het ‘ouderwetse’ club- of buurthuis waar jongeren vooral worden beziggehouden. ‘Niet chillen, maar skillen.’ Dus als je hoort dat jongens iets leuk vinden, aan een auto prutsen, gitaar spelen, de kozijnen verven, een website bouwen, dan is dat een aanknopingspunt om iets mee te doen.

‘Kunnen denken in ambities en die versterken, zodat die jongeren via stages uit hun zeer beperkte netwerk komen.’ Via een nog hogere schaal van een Vakwerf voor 14 tot 19-jarigen is het de bedoeling dat de jongeren een echt vak met ambitie leren. ‘Zodat ze er zich uiteindelijk op hun achttiende van bewust zijn dat het leven draait om relaties. Dat ze als individuen opereren in netwerken, waarin de mens met andere mensen en alle andere wezens moet samenleven, waarbinnen ze dus een eco-sociale verantwoordelijkheid dragen.’

Dat klinkt ambitieus. Maar het is nodig, onvermijdelijk zelfs, volgens Oosterling: ‘We hadden dat veertig jaar geleden, na het rapport van Rome, moeten doen. Inmiddels hebben we er een puinhoop van gemaakt.’ Het is geen moreel appel, maar een pleidooi voor een bepaalde levenshouding: ‘Het gaat er om wat in de kinderen zit er uit te halen en te ontwikkelen. Ik wil dat ze wortelen in processen waarin iets gemaakt wordt: een schaal waarin ze er toe doen.’
Daarvoor moeten we af van het ‘pedagogisch-modernistische dogma van het kind als individu.’ Vroeger was dat nodig, het individu als emancipatoir project. ‘Maar vanaf 1970 wordt een hyperindividualistisch consumentisme gepropageerd: we consumeren onze individualiteit via gadgets, brands, logo’s.’ In plaats daarvan moeten we individuen weer gaan zien als knooppunten in netwerken. ‘Niet werken met sancties, ook niet curatief of preventief maar potentief: inzetten op skills, of talentontwikkeling, zoals dat tegenwoordig heet.’

Vorig jaar november bedacht Oosterling het Vakhuis, dit jaar gaat het nog van start. ‘De snelheid en het ritme waarmee ik werk, is niet die van de ambtelijke molen, nee.’ Dus als je iets wilt, vooral niet te veel overleggen. ‘Ze vinden me wel eens een ongeleid projectiel. Maar ik ben wel degelijk geleid, alleen ga ik volstrekt de andere kant op. Ik doe gewoon mijn ding.’ Niet dat hij zich niks aantrekt van wat er beleidsmatig en maatschappelijk leeft: ‘Ik zou dit niet doen, als het niet maatschappelijk leefde. En dat doet het wel degelijk. Zie de discussie over de ambachtsschool, of over dat we de oude LTS in ere moeten herstellen.’
Het is ook helemaal niet nieuw, het mens- en maatschappijbeeld dat hij uitdraagt. Het integreren van hoofd- en handenarbeid, cultuur, tuinbouw: het is iets wat bijvoorbeeld al een kleine eeuw door Vrije Scholen in praktijk wordt gebracht. De waardevolle delen van de antroposofie, net als die van allerlei andere onderwijsvernieuwers als Montessori, heeft Oosterling opgepikt. ‘Het is niks nieuws. Het discours wat ik hanteer, bestaat uit al die fragmenten plus een dosis filosofische inzichten. Alleen geef ik er samenhang aan. Dat is voor veel mensen een verademing. Gecombineerd met het engagement, zeggen ze : “Te gek, een leuk verhaal!”.

Of zijn aanpak geen last van de crisis en de bezuinigingen? ‘Hoe bedoel je crisis? We consumeren ons rot.’ We moeten volgens Oosterling van lineaire productie – steeds meer produceren – naar een cyclische economie gebaseerd op duurzame energie. Als er over de huidige ‘economische crisis’ wordt gesproken, wordt bedoeld dat die lineaire ontwikkeling hapert en weer aan de gang moet. ‘Bezuinigingen? Dat is geen issue waar ik me mee bezighoud. Er is geld zat, als je ziet hoeveel geld er over de balk wordt gesmeten. Het probleem is de verkokerde werkwijze van de overheid. Je moet de schotten opheffen, alle geld in één pot doen en dan herverdelen vanuit een integrale en duurzame probleemanalyse.’
Oosterling merkt wel dat de bezuinigingen binnen de gemeente zorgen voor een angstcultuur. Toch zitten overal, ook binnen beleid en politiek, mensen die willen, die power hebben. ‘Mensen die niet willen, daar loop ik omheen.’ Tegen muren oplopen? ‘Muren zijn er altijd. Daar loop ik dwars doorheen, of ik ga er omheen, overheen of onderdoor.’ Die mentaliteit heeft alles met kendo te maken. ‘Vanaf mijn elfde ben ik met dit soort sporten bezig. Het maakt je karakter sterk, je moet altijd een grens over, je wordt er doodmoe van en dan toch doorgaan. Maar wel samen met anderen in een goede verstandhouding, binnen de regels, op een bepaalde plek en binnen een bepaalde tijd.’
Naast die ‘kendo-mentaliteit’ zijn een duidelijke heldere visie en het ontbreken van cynisme volgens Oosterling succesfactoren van Vakmanstad Rotterdam. ‘Het is belangrijk dat ik niet cynisch ben en dat Wim Pak, directeur van de basisschool Bloemhof niet cynisch is, want anders houdt het op. Waar zit de kwaliteit en energie? Die zoek ik op.’
Oosterling werkt zeven dagen in de week en is 24 uur per dag beschikbaar. ‘Als ik ergens voor ga, dan ben ik er dag en nacht mee bezig.’ Ja, een partner en een inmiddels net volwassen dochter heeft hij ook nog. ‘Mijn dochter studeert en ik woon niet samen, dus mijn partner zit niet om zes uur met de zuurkool op mij te wachten. We weten wel van elkaar waar we mee bezig zijn, doen heel veel samen, misschien wel meer dan mensen die dicht op elkaar gepakt zitten. Je moet je eigen leven leiden, staan voor wat je denkt en zegt.’ Hij is eigen baas, dat scheelt ook. ‘Dus ik krijg geen burn-out. En als ik de kinderen op school zie, dan weet ik weer: oh ja, hier doe ik het voor.’


Gepubliceerd in: Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, no.9, oktober 2012. 
Foto: Liesbeth Sluiter