Bram van de Klundert

Veertig dagen alleen in de Nederlandse wildernis

Is er nog wildernis in Nederland? Om dat te onderzoeken bivakkeerde voormalig topambtenaar Bram van de Klundert in tien verschillende Nederlandse natuurgebieden. Dat leverde maar liefst twee boeken op vol met natuur- en wereldbeschouwing, leven en lijden, schoonheid en de dood. ‘Het heeft me echt veranderd.’

‘Uit de ijzige kou komt een kanoetstrandloper op me af lopen. Aan de windluwe zijde nestelt hij zich tegen mijn been. Ik ben waarschijnlijk de eerste mens die hij ziet.’ Terwijl de Waddenzee bijna dichtvriest, zit Bram van de Klundert begin januari 2010 een week lang helemaal alleen op de Griend, een zandplaat in de Waddenzee. Zonder telefoon, radio of boeken verbleef hij zo in totaal telkens een week op de tien ‘wildste’ Nederlandse plekken, in een hutje, boot of Mongoolse tent. De laatste dag en nacht vaak met een gast om te bomen over de relatie tussen mens en natuur. Zijn ervaringen zijn te lezen in het onlangs verschenen ‘Expeditie wildernis – Ervaringen met het sublieme in de Nederlandse natuur.’ Na de zomer verschijnt ‘Perspectieven voor wildernis’, een meer beschouwend, je zou zelfs kunnen zeggen ‘levensbeschouwelijk’ boek over de relatie tussen mens en omgeving.

Hij is geen onbekende in de wereld van natuur en milieu. Na zijn studies biologie en Nederlands zette Bram van de Klundert (1953) zich zo’n dertig jaar lang bij de rijksoverheid in voor ‘groen’ (zie bibliografie). ‘Ik heb met plezier voor allerlei ministers gewerkt. Maar het kabinet Rutte was me te grijs. Ik had heel weinig zin om daar voor te werken.’ Het kwam dus goed uit dat hij bij het Wereldnatuurfonds aan de slag kon als programmamanager Nederland. Daar voor het klimaatneutrale hoofdkantoor van de natuurclub in Zeist, vertelt hij tussen het opschietende voorjaarsgras over zijn ervaringen in de Nederlandse wildernis, opgedaan voordat hij bij het WNF begon.

Van kinds af aan heeft hij wat met natuur. Op de middelbare school las hij ‘Walden’ het verslag van Henry David Thoreau’s verblijf in de Amerikaanse wildernis, inmiddels zo’n anderhalve eeuw oud en voor velen in de natuur- en milieubeweging een inspiratiebron. Een paar jaar geleden begon hem op te vallen dat er tegenwoordig regelmatig boeken en films over wildernis verschijnen, zoals ‘Into the wild’ (verfilmd boek over de belevenissen van de Canadese student Chris McCandless) en ‘The Wild Places’ (In het Nederlands vertaald als ‘De laatste wildernis’), waarin de Engelse journalist Robert McFarlane op zoek gaat naar Britse wilde plekken. ‘Ik ben vaak in de natuur, maar meestal eigenlijk maar kort, tijdens een wandeling of zo’, realiseerde Van de Klundert zich. Op een zondagochtend schreef hij een brief naar de directeuren van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten met zijn plan om telkens een week te verblijven in ‘wilde’ Nederlandse natuurgebieden. Een week later was het geregeld. ‘Ik was bevoorrecht, dat realiseer ik me goed.’ Het belangrijkste criterium bij het kiezen van de gebieden was: ‘De meeste kans om niemand tegen te komen’.
Is er nog zoiets als wildernis in Nederland? Vroeg hij zich af, voorafgaand aan zijn expeditie. ‘De Oostvaardersplassen is met zijn zesduizend hectaren behoorlijk groot, maar voor een wilderniservaring toch weer klein’, schrijft Van de Klundert vanuit het veelbesproken natuurgebied. Vanaf ieder punt vallen windmolens en elektriciteitsmasten te zien, aan de ene kant een spoorlijn en de andere een dijk met druk verkeer, in het westen ’s nachts de kassen in Almere. ‘Absolute wildernis bestaat op de wereld al niet meer: de invloed van de mens is overal. Het gaat altijd om relatieve wildernis.’ En die valt ook in Nederland nog wel degelijk te ervaren. ‘Het is een hele bevrijdende ervaring in een gebied te zijn, waar je niet overal de hand van de mens ziet.’ Bang is hij nooit geweest nee, tijdens die in totaal meer dan veertig dagen alleen in de natuur, ook al rukte de nachtelijke storm aan zijn tent of hut. ‘Ik maakte me op een gegeven moment wel zorgen toen op de Griend, waar het vroor dat het kraakte, het gas op was. Maar daar ben ik ook goed doorheen gekomen.’
Confronterend vond hij vooral dat het zo moeilijk blijkt te zijn om af te kicken van de dagelijkse informatiestroom. ‘Zeker voor een lezer als ik die altijd in de boeken zit.’ Maar het was nodig om zoveel mogelijk in het hier en nu de natuur te kunnen ervaren. Dat was ook de reden van zijn regelmatige meditaties. Van de Klundert noemt zichzelf geen boeddhist, maar laat zich wel door het boeddhisme inspireren, inclusief bijbehorende methodieken als meditatie. Tijdens dat mediteren in de natuur werd hij geconfronteerd met de combinatie van schoonheid en wreedheid van de natuur, van beesten die elkaar opeten. ‘Je kunt het leven niet voorstellen zonder pijn en dood. Als je je dat realiseert, kun je de schoonheid van het leven inzien en ontstaat er mededogen voor alles om je heen.’
Er is een nieuwe indringende laag van natuurherinneringen over zijn oude ervaringen heengeschilderd. ‘Heel vaak komen beelden, geluiden, geuren terug. Het heeft me echt veranderd. Ik heb een groot gevoel van verbondenheid met de natuur ervaren. Ik realiseer me ook veel beter hoe weinig je eigenlijk nodig hebt.’

Natuur ervaren, dat is goed voor elk mens, denkt Van de Klundert. ‘Mensen hebben behoefte aan verandering. Ritme is de basis van het leven, dag en nacht ritme, de seizoenen, leven en dood. In de natuur is constant verandering. Als je daar niet mee geconfronteerd wordt, gaan mensen dingen kopen, tv-kijken, reisjes maken. Terwijl natuur je die verandering kan bieden, het is een tegengif tegen consumentisme.’
Daar zit meteen wel een probleem: de generatie die een opa als boer had en daarom het verschil wist tussen gerst en rogge, vlier en koekoeksbloem, grutto en kievit, die sterft uit. ‘Mijn kinderen hebben niet zoveel met natuur als ik, maar hun wereld is veel rijker dan die van hun medestudenten, omdat ze meer zien.’ Want en passant hebben ze toch heel wat kennis van flora en fauna van hun vader meegekregen. Van de Klundert haalt met instemming zijn collega-wildernis-auteur Mc Farlane aan, die zegt: ‘Facts feed wonder.’ Hoe meer je weet, hoe meer je je verwondert. Als je bijvoorbeeld weet welke route trekvogels vanuit noord-Europa via de Waddenzee naar Afrika nemen, neemt je verwondering toe. Moeten mensen dan misschien verplicht het de natuur in? ‘Het moet niet, het is alleen zo zielig als ze dat missen.’

De teloorgang van de verwondering is misschien wel een van de meest fundamentele bedreigingen voor de natuur. In Van de Klunderts tweede boek ‘Perspectieven voor Wildernis’, gaat hij in op de ‘biologisering van ons mens- en wereldbeeld’. Op allerlei vlakken worden mens en wereld tegenwoordig herleid tot hun chemisch-biologische processen: ons eten wordt gezien als verzameling nutriënten, sommige goed (omega-3), sommige fout (verzadigde vetten). Een vogel zingt mooi omdat dat de voortplanting dient. Pubers gedragen zich onverantwoordelijk omdat hun hersenen nog niet zijn uitontwikkeld (‘We zijn ons brein’, van Dick Swaab). Van de Klundert zet daar zijn naturalistische kijk tegenover. ‘Vanuit de rijkdom van het bestaan. Voeding is veel meer dan alleen nutriënten. De schoonheid van de natuur is niet terug te brengen tot een chemische reactie in je hoofd.’ Doe je dat wel, dan wordt het leven verarmd en plat gemaakt. ‘Liefde en geluk zijn strikt biologisch niet aan te tonen. Maar dat wil niet zeggen dat ze er niet toe doen. Zo geldt dat ook voor schoonheid en verwondering. Ik ben op zoek naar de dingen die belangrijk zijn in het leven.’ Die dingen zijn aan de zachte kant. ‘Ik kan niet aantonen dat natuur belangrijk is, maar ik kan het wel ervaren.’
Dat we natuur als mooi en aantrekkelijk kunnen ervaren, komt volgens Van de Klundert doordat die zijn eigen gang gaat. ‘Zodra je de kleur van de zonsondergang kunt bestellen, is de lol er van af. Het lijkt me vreselijk om te wonen in een wereld waar alles door de mens bepaald is.’ De verwondering voor de onbeheersbare natuur hoeft niet beperkt te blijven tot wilde plekken als Rottumeroog of De Griend, maar is er ook in het klein. ‘Ik woon nu tijdelijk in een nieuwbouwwijk. Ik hoor daar ontzettend graag een merel zingen. Ik hou ook erg van de muziek van Bach, maar niet elke dag. Terwijl ik die merel elke dag kan hebben: omdat ik het niet voor het zeggen heb.’

Tegelijkertijd zijn Van de Klunderts wildernisboeken een pleidooi voor meer grootse wilde natuur in Nederland. Het mooiste voorbeeld noemt hij de Millingerwaard in de uiterwaarden bij Nijmegen. Een dag lang kun je er zo vanaf de stad naartoe en doorheen lopen. ‘De natuur dichtbij, dynamisch en afwisselend, je mag er je gang gaan, overal lopen, zwemmen, een vuurtje stoken.’ Voor de echte natuurliefhebbers is er van allerlei ecologische rijkdom te bewonderen, maar ook voor degene voor wie natuur ‘het groen tussen twee cafés in is.’ Want midden in het gebied ligt een populaire theetuin. ‘Dergelijke plekken zouden er meer moeten zijn, het liefst verbonden door lange-afstandswandelpaddelen door wilde gebieden.’

Het agrarische cultuurlandschap is ook mooi. ‘Maar dat gaat nog steeds vreselijk achteruit.’ Jarenlang heeft hij zich ingezet voor een natuurvriendelijke landbouw, maar nu heeft Van de Klundert het opgegeven: er is volgens hem geen redden meer aan. Hij noemt als voorbeeld de weidevogels. ‘Eerst probeerden we de met veel geld en moeite de kemphaan te redden, toen dat niet lukte de watersnip, toen dat niet lukte de grutto en nu moeten de boeren al geld hebben voor een koe in de wei.’
Van de Klundert is tot de conclusie gekomen dat landbouw en biodiversiteit inherent strijdig met elkaar zijn: ‘De landbouw reduceert de biodiversiteit tot één: dat is ook de bedoeling. Een boer wil één soort gewas op zijn akker, verder niks. Als er dan Engels raaigras met een koe op staat, is de biodiversiteit nog twee.’ Het hoogst haalbare. Subsidies voor agrarisch natuurbeheer zijn dan ook weggegooid geld, volgens Van der Klundert.
‘De landbouw is de enige bedrijfstak die nog fors vervuilt’. Die moet minder bestrijdingsmiddelen gebruiken, minder mest uitstoten. Maar dan nog. ‘Ook de bijdrage van biologische boeren aan de biodiversiteit stelt weinig voor.’ De bemesting van weilanden moet tachtig tot negentig procent terug, willen we voor flora en fauna weer interessante akkers en grasland krijgen. Dat kan ook de biologische landbouw niet brengen.
Ja, hij weet ook wel dat het produceren voor de wereldmarkt een politieke keuze is. En dat dat een belangrijke drijvende kracht is achter de steeds natuurvijandigere landbouw. ‘Maar als je daar van af wilt, moet je allerlei handelsverdragen opzeggen en uit de Wereldhandelsorganisatie stappen. Dat gaat niet gebeuren.’ Daarom is zijn conclusie: ‘Ik zeg het met spijt in mijn hart: landbouw en natuur moeten zoveel mogelijk worden gescheiden, anders houden we niets over.’
De Nederlandse natuur moet vervolgens beheerd worden door organisaties die op grotere afstand van de overheid komen. ‘Zodat we niet meer zoiets meemaken als deze kabinetsperiode, dat één dwaas het hele natuurbeleid kan slopen.’

Zijn boosheid over het natuurbeleid van Bleker, zijn verontwaardiging over de teloorgang van de weidevogels, zijn pleidooi voor nieuwe grootse wilde natuur: het lijkt strijdig met een van de belangrijkste levenslessen uit zijn ervaring in de wilde Nederlandse natuur, dat de wereld in orde is, dat ‘het is zoals het is’. Van de Klundert erkent: ‘Ik bedoel met “het is, zoals het is”, een fundamenteel besef dat het leven zonder dood en verandering niet voorstelbaar is. Ook al kunnen dood en lijden verschrikkelijk confronterend zijn, het eeuwige leven is het ergste wat je kan overkomen.’ Dat hij zich tegelijkertijd druk maakt om de achteruitgang van de natuur, is dat geen verzet tegen verandering. ‘Maar omdat ik het mensen gun om de sublieme ervaring van de schoonheid van de vitaliteit van het leven mee te maken. Als ik opkom voor weidevogels of kanoeten is dat vanuit een gevoel van mededogen en respect voor al dat unieke leven. Als die kanoetstrandloper de onbegrijpelijke prestatie heeft geleverd om van Groenland naar de Waddenzee te vliegen, gun ik hem een paar kokkels.’

Gepubliceerd in Down to Earth Magazine, juni 2012

Foto: Dinand van der Wal