Broeder Paulus

De tijd staat stil in springlevend klooster

Gebed en arbeid: sinds eeuwen draait daar het leven van monniken om. Zo ook in Abdij Sion, in de bossen van Diepenveen. Het kloosterleven staat in een groeiende belangstelling. Maar interviews geven de monniken alleen bij hoge uitzondering. Broeder Paulus vertelt waarom hij monnik is.

De beuken van de oprijlaan van de Abdij Sion, ten noorden van Diepenveen, zijn nét uitgelopen. Afvalresten van de McDonalds op de bosgrond herinneren er ons nog even aan dat de moderne wereld niet ver weg is. Aan het eind van de beukenlaan schijnt de zon over met bloeiende paarde- en pinksterbloemen gevulde weilanden, van de boer die hier zijn grond pacht van de monniken. Pal tegenover de ronde poort van de Abdij. Rechts van de poort kom je via een trapje bij het raampje van de portier. En naast de poort hang een lang koord voor de bel. Maar zowel bel als portier zijn niet nodig. Daar komt broeder Paulus al met een brede lach aangelopen. Wit met zwart habijt, bijeengehouden door een lange leren riem en daaronder stevige wandelschoenen. We gaan de poort door, de kloostertuin in waar een weldadige rust heerst. Dat was de afgelopen tijd wel anders: drie jaar is er aan gewerkt om de abdij op te knappen: er zit onder andere een heel nieuw dak op het klooster. De opknapbeurt was hard nodig: het was de eerste sinds de bouw in 1890. Zeven jaar daarvoor waren de eerste monniken gearriveerd, vanuit het moederklooster, Achelse Kluis in Brabant. Om hier een nieuw Cisterziënzer klooster te stichten, dat zich vanaf 1935 ‘abdij’ mag noemen. Terwijl veel kloosters leeglopen, zijn de meeste monniken in Abdij Sion na 2000 ingetreden. Al langere tijd schommelt het aantal rond de vijftien, in leeftijd variërend van vijfenveertig tot eenennegentig.

Gezeten op een stoel in een hoekje van de kloostertuin vertelt Broeder Paulus zijn verhaal. Meestal geven de monniken geen interviews, vanwege de inbreuk op de privacy en de onrust die dat met zich meebrengt. Soms maken ze een uitzondering. Zoals onlangs voor het KRO- kinder-TVprogramma, Buro Voor Grote vragen over leven na de dood. Waarbij broeder Paulus met de kinderen naar het kloosterkerkhof ging. Maar doorgaans zeggen ze ‘nee’. De verslaggever van Naober voelt zich dan ook vereerd dat hij wordt ontvangen. Rondleidingen geven ze wel, voor allerlei groepen. ‘En mensen zijn welkom om hier te komen meeleven.’ Het gastenverblijf waarbij tien gasten een paar dagen meedraaien in het ritme van het kloosterleven, is bijna altijd vol: er is een groeiende belangstelling voor het leven van monniken. ‘Omdat het enerzijds ver van mensen afstaat, en anderzijds toch ook ergens aantrekt, mysterieus is: “wat vinden die mensen daar dan?”, vragen ze zich af over ons monniken’, verklaart broeder Paulus. ‘Er is een spirituele honger bij de mensen, ze willen geestelijk gevoed worden, zitten met levensvragen. Niet dat wij op alles antwoord weten.’ Onder invloed van de stilte, worden ze geraakt door het mysterie. ‘De tijd staat hier stil is, minder hectisch en op prestaties gericht. Als mensen hier door de poort lopen, valt er iets van ze af. Telkens weer is het een wondertje dat gasten hier geraakt worden, zich opgelucht voelen. Het is ook fijn voor ons. Ik voel me heel erg verbonden met de gasten. Het geeft toch een stukje zin aan ons leven om mensen te mogen ontvangen.’

Als kind al, geboren en getogen in Zuid-Limburg, wilde hij priester worden. ‘Ik voelde dat deze wereld niet het enige is. Vaak ben ik daar weer van afgeweken. Op mijn achtste bijna voorgoed.’ Na een ernstig auto-ongeluk lag hij drie weken in coma en een haf jaar plat. Toen hij toch bleek te genezen werd hij vervuld van dankbaarheid jegens God en de mensen die hem verzorgden: zijn priesterroeping was nog sterker geworden en op zijn elfde ging hij naar het seminarie. Maar na een paar jaar verdween zijn roeping. Hij vertrok, ging bij de V&D werken, zijn militaire dienstplicht vervullen en de verpleging in. Kerkbezoek en geloof stonden op een laag pitje. Zijn onrust bracht hem naar een Kibboets in Israël. ‘Kom toch terug’, schreef zijn moeder na een jaar. ‘Ze zal wel gelijk hebben’ dacht hij. Maar voordat hij terug zou keren naar Nederland, bracht hij eerst nog een bezoek aan Christelijke nederzetting boven op een heuvel bij het meer van Galilea. ‘Ik was meteen verkocht. Het was een prachtige plek, je had een enorm uitzicht over de streek waar Jezus was gegaan, de eucharistieviering gebeurde in een grot. Alle puzzelstukjes vielen in elkaar, ik werd diep geraakt door het religieuze leven.’ Moeder kreeg een brief dat haar zoon in Israel bleef. Maar na een jaar sloeg toch de heimwee naar Nederland toe en ging hij terug, al heeft hij daarover in het vliegtuig tranen gelaten. Het duurde niet lang, of hij trad in 1977 bij de monniken in Zundert. ‘Daar vond ik mijn plek. Zo’n vijftien jaar heb ik er betrekkelijk gelukkig geleefd’.
Maar rond zijn veertigste sloegen de twijfels toch weer toe, had hij het idee dingen gemist te hebben. Hij trad uit en had een relatie met een vrouw. Na enkele jaren liep die spaak, omdat hij het kloosterleven miste. In het klooster in Zundert vonden ze dat hij eerst maar eens elders moest kijken, om een frisse start te maken, ergens waar hij niemand kende. In het voorjaar van 1999 klopte hij voor het eerst op de poort van de Abdij in Diepenveen. Het klikte meteen, maar toch wachtte hij nog een jaar voordat hij vol overtuiging opnieuw intrad en inmiddels woont hij hier ruim tien jaar. ‘Dit is mijn thuis. Samen met de broeders in een gemeenschap, met steun van en aan elkaar. Het wil niet zeggen dat een kloosterleven gemakkelijk is. Je wordt geconfronteerd met je schaduwkanten: je egoïsme, begeerte, boosheid, haat, jaloezie. Die kunst is die onder ogen te zien en die met Christus in het licht te zetten, door gebed. Ik geloof dat we door ons gebed een steentje bijdragen aan de wereld. Veel mensen vinden het belangrijk te weten dat we bidden.’

Broeder Paulus verzet zijn stoel en gaat uit de zon in de schaduw zitten. ‘Ik moet de hele middag nog op de trekker zitten om gras te maaien.’ Van de achtenvijftig hectare grond die bij de abdij hoort, beheren de monniken er veertien nog zelf. Niet voor de productie, maar puur als stiltegebied. De overige grond wordt gepacht door de melkveehouderij van de familie De Munnik, die aan de oprijlaan van het klooster hun boerderij hebben. [zie kader] Vroeger deden de monniken het boerenwerk allemaal zelf. Er was een boterfabriek en een kippenhouderij. ‘Dat was niet meer te doen, de interesse is er ook niet meer: vroeger traden vaak boerenzonen in, die dat wel hadden.’ Broeder Paulus werkt veel in de siertuinen, ontvangt groepen, voert gesprekken met mensen en is contactpersoon voor de Ciserciënzer-leken-groep. Andere broeders zijn koster, verzorgen de zieken, koken voor monniken en gasten en er is zelfs een ‘cybermonnik’: de abdij heeft een moderne en toegankelijke website.
Formeel is het klooster onderdeel van het instituut Katholieke kerk, dat de laatste tijd niet altijd in even gunstig daglicht staat met allerlei schandalen. ‘Wij komen toch uit een andere richting dan het instituut kerk’, vindt broeder Paulus: ‘Het monnik zijn stamt voort uit de stamvaders van het Christendom, die in de woestijn gingen leven. Ik kan niet zeggen dat wij aangeraakt worden door de schandalen in de kerk. Mensen voelen heel goed aan of er zuiver wordt geleefd of niet. Ik voel het als opdracht trouw te zijn aan mijn eigen roeping.’


Boer bij de abdij

Hans de Munnik runt het melkveebedrijf op het terrein van de abdij Sion. De Munniks vader kwam hier in 1982 als bedrijfsleider van de monniken. Dus die achternaam heeft geen hele lange traditie, hoe toepasselijk die ook is. In 1998 nam De Munnik senior het bedrijf van de monniken over: ze hadden er steeds minder binding mee. De grond en gebouwen blijven wel in eigendom van de abdij.
‘Het is een bijzondere plek om te boeren’, vindt Hans de Munnik: helemaal vrij van de bewoonde wereld. ‘In principe is hebben we verder geen beperkingen. Wel hebben de monniken een heel ander ritme.’ De Munnik heeft het nog niet gezegd, of de klok van de abdij roept voor een van de gebedsdiensten. ‘Vanaf acht uur ’s avonds zijn de monniken in complete rust, de meeste gaan dan slapen. Daar houden we rekening mee: na dat tijdstip maken we geen lawaai meer in de buurt van de abdij, gaan dus niet om tien uur ’s avonds nog eens maaien. Alleen als het op land helemaal achteraf is.’ Vaak komt de familie niet in de kapel van de monniken. Ja, met kerstmis. ‘En mijn zus is hier vorig jaar in de kapel getrouwd. Dat was wel bijzonder, want eigenlijk willen de monniken dat niet. Voor deze keer hebben ze een uitzondering gemaakt’. De Munnik denkt dat de abdij en zijn boerderij nog lang samen naast elkaar kunnen bestaan. ‘Er treden nog jaarlijks monniken in en voor mijn bedrijf zijn er mogelijkheden zat.’


Gepubliceerd in Naober, herfst 2011