De schoonheid van de scheppingsgift

Bietenschijven uit de oven

‘Wil je nog preiplantjes, ik heb er nog wat over?’ ‘Oh ja,  graag. Wil jij dan misschien courgettes, ik krijg ze niet allemaal opgegeten?’ Moestuinieren op een volkstuincomplex betekent geven en ontvangen, met seizoensgebonden regelmaat. De eerste gift aan pootplanten of uit de grond ontsproten overschot, betekent een impliciet afgegeven welkomstgebaar. Die draagt in zijn hoedanigheid  van ontvangst al de kiem in  zich van de toekomstig gegeven gift. Want wie ontvangt en niet op de een of andere manier een sociale kronkel heeft, die gaat geven. Het ritueel van het geven gedijt bij de gratie van de wederkerigheid. ‘Heb je al andijvieplantjes?’ ‘Nee, nog niet: dank. Hier, krijg jij van mij de eerste bietjes.’

Van oudsher  draaien plattelandsgemeenschappen helemaal rondom wederkerigheid: wie geen hulp had bij het hooien of aardappels rooien, lukte het nooit om alles op tijd binnen te krijgen. Dat gold voor iedereen, dus hielpen de buren elkaar over en weer. Uiteraard geldt die onderlinge afhankelijkheid ook in onze huidige ingewikkelde post-industriële samenleving. Alleen wordt dat meestal niet beseft:  de door stedelijkheid en extreme arbeidsdeling veroorzaakte anonimiteit zit dat besef in de weg.

Nu vraag ik me af, is de  boeddhistische deugd ‘dana’ - ruimharigheid , vrijgevigheid - bedoeld als ‘vrij van wederkerigheid’? Met als ego-loze intentie niks terug te ontvangen? Ik weet het niet zeker, het gaat mijn pet te boven, geloof ik. Is een van de grote waarheden niet de onlosmakelijke intrinsieke verbondenheid van alles? Waarin onophoudelijke wederkerigheid een sine qua non is? Hoe dan ook, in het moestuinleven  beperkt het geven en ontvangen zich niet tot het intermenselijke.  Je geeft mest, zaadgoed, water en heel veel geploeter aan de bodem: spitten, zaaien, poten, onkruid wieden, verjagen van vogels en muizen, het verwerken van de teleurstelling van mislukte zaaisels en aangevreten wortels, vele uren, telkens opnieuw. Maar uiteindelijk geeft die bodem daar iets groots voor terug. De nazomer en het begin van de herfst zijn de hoogtijdagen van de groentetuinder. De massa’s op de keukentafel uitgestalde oranje pompoenen, rode bieten, gele wortels, stevige pastinaken, geurige bossen munt, malse kroppen andijvie en bloeiende bossen goudsbloemen stemmen dankbaar. De ervaren voldoening en dankbaarheid zijn van een andere dimensie dan de voor-wat-hoort- wat-wederkerigheid. Behalve met de materiële voedingswaarde van de vruchten van het land, heeft het van doen met de schoonheid van ontvangen scheppingsgift.  Niet in woorden uit te drukken. Alleen dichters komen in de buurt, zoals de zeventiende-eeuwse haiku-schrijver Basho, hier in gesprek met zijn zenmeester.

Butcho:
"Ben je onlangs nog tot een nieuw inzicht gekomen?"
Basho:
"Dat het groene mos fris ruikt na een regenbui."

Bietenschijven uit de oven

*3 grote bieten of 4 kleine
*4 uien
*takjes tijm
*kappertjes
*grof zeezout
*peper
*wijnazijn
*olijfolie

Verwarm de oven voor op 180 C. Schil de bieten, snijdt ze in dunne plakken, evenals de uien (dit gaat heel makkelijk en snel in een keukenmachine). Bestrooi een braadslee met wat zout, leg er wat takjes tijm op. Leg daarop dakpansgewijs een laagje uien. Daarop een laagje bieten, dan weer een laag uien, enzovoort. Strooi er kappertjes over, gemalen peper, wat scheutjes wijnazijn en flink wat olijfolie, dek af met aluminiumfolie en zet 40 minuten in de oven.


Gepubliceerd in Boeddha Magazine, herfst 2010