Lekkere armoedebestrijding

Slow Food, dat is toch die club van lekkerbekken die opkomen voor zeldzame worsten, bijzondere kazen en vergeten groenten? Onlangs kwam de mondiale beweging bij elkaar in Turijn voor grootse proeverijen. Maar ook om te praten over de voedselcrisis en kleine boeren vooruit te helpen.

Eerst wat proeven van de Toscane bloedworst en de hammen van zuid-Italiaanse zwarte varkens, dan wat pure Turijnse hazelnootchocolade en Roemeense wilde-bessen-jam, vervolgens Noorse stokvis en dan even een Oester slurpen uit onze eigen Oosterschelde. Uiteraard met daarbij een glaasje wijn: welke van de duizend verschillende soorten zullen we eens nemen? Voor smulpapen was het een soort walhalla, de tweejaarlijkse bijeenkomst van de internationale Slow Food beweging, eind oktober in de Italiaanse stad Turijn. Decadent? Wat moet dat in een blad dat toch vooral gaat over armoedebestrijding? Maar wie na de lanen met hammen, olijfolie, kazen en chocolade even doorliep in de Turijnse congreshallen, begon langzamerhand te vermoeden dat ze misschien toch wel wat met elkaar te maken hebben: lekker eten en de positie van kleine boeren. Alleen al bijvoorbeeld door de bijnaam van de kaas die er in de Libanese stand viel te proeven: ‘ armelui´s kaas’ gemaakt van gefermenteerde maïs. Maar ook door de verhalen van de Maleisische zwarte peperkwekers en duizenden andere producenten uit onder andere Azië, Latijns-Amerika en Afrika. Die middels een videoboodschap van Prins Charles werden verwelkomd: “ Jullie zijn de garantie voor onze langetermijnvoedselzekerheid, gebaseerd op toegewijde zorg voor de natuurlijke omgeving.”

“Goed, schoon en eerlijk voedsel” , dat is de slogan waarmee de Slow Food beweging sinds 1989 aan de weg timmert. In dat jaar viel voor Carlo Petrini, oprichter en nog steeds voorman van Slow Food, de druppel: de opening van de McDonalds op Piazza di Spagna in Rome. Er móest wat gebeuren om de mondiale gelijkschakeling van het eten tegen te gaan én de lokale voedselculturen te redden. Een soort ‘greenpeace van het eten’ was geboren. Voor goed voedsel, oftewel smakelijk en gezond, in staat om alle vijf zintuigen te bevredigen. ´Schoon´ en daarmee geproduceerd zonder uitputting van de grondstoffen, ecosystemen en milieu. ´Eerlijk´ en dus gemaakt met fatsoenlijke beloning en arbeidsomstandigheden voor iedereen in de productieketen, van boer tot consument.

Een groot deel van de 85.000 Slow-leden komt nog steeds uit Italië, gevolgd door Amerikaanse leden, maar inmiddels zijn er ook grote en kleine afdelingen in 130 andere landen, waaronder Nederland. Verschillende instrumenten hebben de langzame eters bedacht voor hun strijd, waaronder de ´Ark van de Smaak´: daarin wereldwijd zo´n duizend ambachtelijk gemaakte producten, die met uitsterven worden bedreigd: van Drents Heideschaap en Limburgse appelperenstroop tot Siciliaanse zwarte-bijenhoning, Madagascaanse vanille en Tibetaanse Yak kaas. Teelt- en verwerkingsmethoden worden gedocumenteerd en producenten worden ondersteund bij het vermarkten van hun smaakvolle maar zeldzame producten.

Een van de zeshonderd standhouders tijdens de smakelijke dagen was Niut Saban uit Maleisië. Breeduit lachend vertelt ze over het werk van het Slow Food presidium ´Rimbàs Black Pepper´. Rimbàs is een landbouwgebied ver van de grote stad, in Sarawak. De Ibans vormen daar de grootste inheemse groep en telen er ´Kuching´, de lokale variëteit van zwarte peper. De peperstruiken groeien op kleine stukjes grond met twee- tot driehonderd planten. “Het is veel werk om ze te oogsten en schoon te maken. Maar omdat we het met de hand doen, zijn ze wel heel schoon”, vertelt Saban. Het Slow Food presidium helpt haar om de pepers te vermarkten, bijvoorbeeld door het mogelijk maken zich op deze Turijnse beurs te presenteren. Vindt ze zelf ook lekker, de Iban peperkorrels? “Het zijn de beste zwarte pepers die er zijn”, volgens Saban, die een korreltje laat proeven: de heftige verwarmende smaak blijft nog lang nagloeien.

Even verderop, na de Armeense berggeitenkaas, Peruaanse chips van gekleurde aardappelen en Marokkaanse saffraan, staan Chileense vrouwen met blauwe eieren. Ze komen uit de regio Araucanìa, ook de naam van het kippenras dat de bijzonder gekleurde eieren levert. Daar werkt Slow Food samen met een Chileense NGO en een netwerk van kleine boeren, om het onderzoek en de selectie van deze karakteristieke kippen te ondersteunen. “De smaak is maar een klein beetje anders dan van witte eieren”, geeft Jessica Ricos van het presidium toe. De charme zit hem vooral in de kleur én de kippen. De Araucana-hoenders verdragen namelijk de levensomstandigheden van de bio-industrie niet: ze moeten lekker buiten kunnen scharrelen, willen ze hun blauwe eieren leggen. Omdat ook in Chili de veeteelt in rap tempo industrialiseert, is het van belang dat de eieren door hun blauwe kleur van nature een ´scharrelkeurmerk´ hebben. Te verkopen in een nichemarkt. “Slow Food is onze enige manier om de eieren te exporteren. Zelf hebben we geen geld voor reclame”, vertelt Ricos. Of ze het toch niet een beetje iets voor de rijken vindt al die overvloed aan eten hier in deze Turijnse hallen? “Ja, maar omdat zij onze producten eten, helpen ze mensen zoals ons, zonder geld.”

Tijdens de vijf dagen van de ´Salon van de Smaak´ liepen er tussen de 180.000 bezoekers opvallend veel schoolklassen rond: ´smaakopvoeding´ is voor Slow Food beweging een must, “want dat is de beste verdediging tegen slechte kwaliteit, bedrog en standaardisering”. Vandaar ook dat het scholen op allerlei manier bij het langzame eten worden betrokken. In het dorpje N’ganon in het noorden van Ivoorkust loopt bijvoorbeeld een project waarbij de kinderen ten minste twee keer per dag een maaltijd krijgen, samengesteld met biologische producten die door vrouwen uit het dorp worden geteeld. De afgelopen jaren was de lokale traditionele maaltijd verdwenen als gevolg van geïmporteerd voedsel van het Werledvoedselprogramma van de Verenigde Naties. Sinds september worden er weer lokaal geteelde rijst, pinda´s, bonen en groenten gegeten door de schoolkinderen, met steun van de Slow Food Foundation for Biodiversity.

De vraag is of al die kleinschalige projecten voldoende zijn om de ´standaardisering en industrialisering van de voedselproductie´ een halt toe te roepen en de positie van kleine boeren structureel te verbeteren. Heeft de Slow Food beweging ook een verhaal over landbouw- en ontwikkelingingsbeleid? Tijdens de vijf dagen werd er niet alleen geproefd en genoten, maar ook gediscussieerd en standpunten in genomen. Onder leiding van de Indiase activist Vandana Shiva, vice-president van Slow Food, werd er bijvoorbeeld gesproken over klimaatverandering en voedselzekerheid: “biologische landbouw helpt wereldwijd tegen klimaatverandering”, was een van de conclusies. Een andere groep sprak over “de oorlog tegen gentechgewassen”: de slow foodies moeten er niks van hebben, omdat transgene gewassen volgens hen niet tegen honger. De Keniaan John Kariuki Mwangi hield een pleidooi om in plaats daarvan inspiratie te putten uit Afrikaanse tradities. Volgens deze student aan de Universiteit voor Gastronomische Wetenschappen (in het Italiaanse Bra), was de landbouw in grote delen van Afrika van oudsher heel divers: uiteenlopende gewassen werden geteeld, veelal in combinatie met veeteelt. Als gevolg van modernisering is veel van die diversiteit verdwenen, wat een grotere kwetsbaarheid en een beperkter dieet heeft gezorgd: “Als de maïsoogt in Kenia mislukt, betekent dat tekort aan voedsel.” Terwijl vroeger traditionele gewassen het in bijvoorbeeld droge tijden minder goed deden. ““Slow Food werkt met lokale gemeenschappen om lokaal voedsel opnieuw te introduceren en producenten met elkaar in contact te brengen”, vertelde Kariuki Mwangi.

Maar terwijl pleidooien voor lokaal produceren en consumeren telkens terugkeren, blijken veel zuidelijke producenten in Turijn juist blij met de exportkansen die Slow Food hen biedt. Zoals de Egyptenaar Ahmed Hassan die drie verschillende soorten dadels laat proeven. Ze variëren in stevigheid en vochtigheid. Hij vertelt dat dadels een van de weinige gewassen is die groeien in de oase waar hij woont. “Slow Food helpt me exporteren naar Italië, waardoor wij een beter inkomen hebben.” Of hij de dadels zelf ook lekker vindt? Bijna verontwaardigd: “Natuurlijk!”

Gepubliceerd op IS Online, 8-2008