Het platteland als bindmiddel

Ook het platteland individualiseert. En herbergt daarmee “het beste van twee werelden.” Maar blijft dat ook zo, of gaat de gemeenschap verloren?


De bibliotheek met een van de langste openingstijden van Nederland staat sinds kort in het Sallandse dorpje Lettele. De zelfbedieningsbibliotheek is namelijk ondergebracht bij de firma Roesink. En bij Roesink kun je zes dagen in de week van acht tot zes terecht voor kinderspeelgoed, verf, huishoudelijke artikelen, pasfoto’s, benzine en duizend en één andere dingen. Naast het lenen van boeken ook voor het secretariaat van het vrijwilligersknooppunt: daar kan bijvoorbeeld een oudere Lettelenaar aankloppen als hij iemand zoekt die hem even naar het ziekenhuis brengt of zijn nieuwe kast in elkaar zet. Lettele is met zo’n vijfhonderd inwoners binnen en kleine duizend buiten de bebouwde kom een levendige gemeenschap, die helemaal drijft op het actieve burgerschap van de inwoners. Maar blijft dat ook zo? De lichtgloed die de stad Deventer ’s avonds uitstraalt komt steeds dichterbij. Een aantal jaren geleden lijfde Deventer het dorp al bestuurlijke in, zeer tegen de zin van de plattelanders. Prompt wilde de stad uitbreiden met een paar honderd hectare industriegebied in de Lettelse weilanden. De Raad van State schoot het plan uiteindelijk aan flarden, waarop Deventer er dan maar woningen wil bouwen. En dus is de kans groot dat daar waar nu de bewoners elkaar op de landweggetjes nog groeten, straks de nieuwbouwwijkbewoners zwijgzaam langs elkaar fietsen.

In Lettele is het leven goed, zoals op grote delen van het Nederlandse platteland. Dat is tenminste het beeld dat oprijst uit het rapport ‘Het beste van twee werelden’, dat het Sociaal-Cultureel Planbureau vorig jaar uitbracht. Hoe beleven en waarderen plattelandsbewoners het leven op het platteland, in bijzonder het sociale leven, wilde het planbureau graag weten.
Want er is natuurlijk de afgelopen decennia nogal wat veranderd en het blijft veranderen. Het aantal mensen dat in de landbouw werkt, neemt nog steeds af, de stad rukt op, voorzieningen staan onder druk, de bevolking vergrijst en ontgroent, de automobiliteit is er flink toegenomen en ook de individualisering is niet aan het platteland voorbijgegaan.
Eigenlijk bestaat het platteland in Nederland helemaal niet, als we uitgaan van de definitie van de OECD (meer dan 50 procent van de inwoners woont in een plattelandsgemeenschap met minder dan 150 mensen per km2). En er wordt ook door planologen wel eens geroepen dat Nederland eigenlijk één stadspark is. Maar in de beleving van zowel stedelingen als dorpsbewoners is het platteland er wel. “Je moet wel een blind paard zijn om niet te zien dat de wijze van werken, de geschiedenis, de rituelen, de verhoudingen tussen privé en publiek, de vriendschaps- en familiebanden, de omgang met geld en goederen, de houding ten aanzien van natuur en godsdienst, de binding met de woonplek, kortom alles wat een cultuur bepaalt, in een dorp nog altijd anders is getoonzet dan in een stad’, zei Geert Mak in ‘Hoe God verdween uit Jorwerd.’ Wie als inwoner van het honderd procent blanke Lettele na acht kilometer plotseling een ‘Deventer Prachtwijk’ in rijdt, kan zelfs iets van een cultuurshock ervaren. Het platteland bestaat nog. Voor de werkbaarheid verstaat het SCP onder platteland ‘niet stedelijke en weinig stedelijke postcodegebieden (minder dan 1000 adressen per vierkante kilometer)’ en de rest als stedelijk.

De rust en ruimte en de onderlinge verbondenheid: dat zijn de dingen die door plattelanders, ouderen en jongeren, oorspronkelijke bewoners en nieuwkomers worden gewaardeerd, merkte het SCP bij het interviewen. Maar anderzijds, zeggen de plattelanders over die verbondenheid: mensen hebben minder voor elkaar over dan vroeger, er wordt minder vanzelfsprekend gegroet en de onderlinge hulp blijft vaker beperkt tot kleine diensten, het lenen van spullen en hulp in noodgevallen. Enerzijds bekommeren mensen zich om elkaar, maar anderzijds er is ook toenemend behoefte aan privacy. Veel normen hadden vroeger een religieuze basis (“klussen mag niet op zondag”). Nu wordt het meer beargumenteerd als rekening houden met elkaar (“de buren vinden het misschien niet leuk als we op zondag in de muren boren”): de betrokkenheid krijgt als het ware een andere, lossere vorm. Normen worden flexibeler, afwijkende leefpatronen zijn ook in de dorpen vanzelfsprekender geworden. Enerzijds wordt de individualisering als een bevrijding ervaren, maar tegelijkertijd wordt de saamhorigheid die er wel is massaal gewaardeerd. Kortom, concludeert het SCP: “Het platteland biedt de vrijheid van de stedelijke samenleving en de betrokkenheid en overzichtelijkheid van de dorpssamenleving: moderne dorpsgemeenschappen combineren in de beleving van veel bewoners het beste van twee werelden.”

De vraag is nu hoe dat verder gaat en waar de ingezette trends van individualisering, verstedelijking, schaalvergroting, komst van nieuwkomers, minder voorzieningen eindigen. Wat voor gemeenschap blijft er over, om de ‘community question’ van socioloog Barry Wellman te stellen, die het verband onderzoekt tussen algemene maatschappelijke veranderingen en de relaties in individuele gemeenschappen. Krijgen we uiteindelijk een situatie van ‘community lost’ waarbij het sociale cement in de gemeenschap is verbrokkeld, zoals we in veel stedelijke gebieden zien? Of krijgt de onderlinge samenhang en solidariteit een andere vorm, aangepast aan de huidige tijd: ‘community transformed?’ En in hoeverre valt daar richting aan te geven?

“Ik denk dat het gemeenschapsgevoel wel overeind blijft”, meent Han Wiskerke, hoogleraar rurale sociologie in Wageningen. “En ik geloof dat het door het SCP geschapen beeld klopt, maar voor een deel.” In de praktijk ligt het overal toch wel weer anders. Grote delen van het platteland van Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Brabant zitten vaak dicht bij een sterk verstedelijkt gebied, verstedelijken zélf ook en profiteren daarmee sterk van de voorzieningen die daar geboden worden, constateert Wiskerke. Dat is een voordeel én een nadeel: doordat de winkel, de bank en de apotheker met de auto zijn te bereiken, neemt het draagvlak voor de lokale voorzieningen verder af waardoor ze verdwijnen. Voor de tweeverdienende plattelander die toch vaak met zijn auto naar de stad moet, geen punt. Wel voor met name de oudere ouderen: die hebben een probleem.
Ron Lammerts van het Verwey-Jonker instituut maakt zich zorgen over deze groep van oudere ouderen, de 75-plussers. “Die ervaren vaak verhuisdwang.” Hun hele leven hebben ze in of bij het dorp gewoond, maar nu ze hulpbehoevend worden, blijkt het sociale vangnetwerk niet meer zo sterk. Doordeweeks overdag werken de buren elders en zijn ze er niet als de 75-plusser ze nodig heeft. “De concrete burenhulp staat onder druk.” En dus zit er voor de bejaarde niks anders op dan te verhuizen naar een zorg- of aanleuning woning in de stad of de centrumplaats. “Maar die generatie is opgegroeid met vanzelfsprekende sociale contacten: die waren er gewoon. Na de verhuizing naar de centrumplaats vinden ze het moeilijk nieuwe contacten te leggen, dat hebben ze nooit geleerd. Er is een dreiging van eenzaamheid onder ouderen.” Lammerts concludeert dat de bedreigingen op het platteland groepsgebonden zijn.
Toch wordt de individualisering ook breder dan in specifieke groepen gevoeld. De voetbalvereniging, de handbalclub, het kerkbestuur, het tienerwerk, ZijActief (de voormalige plattelandsvrouwen) zijn enkele van de vele vrijwilligersclubs in Lettele. Ze draaien, maar de laatste jaren wordt er toch wat zorgelijk gesproken over de moeite die het steeds meer kost om nieuwe vrijwilligers te vinden. Zoals in veel plattelandsgebieden, blijkt uit het SCP-rapport: “Ik weet niet waar ik die vrijwilligers vandaan moet halen. Die zijn er niet overdag”, zegt een van de geïnterviewden. Dat vrouwen steeds meer buitenshuis zijn gaan werken, is ook op het platteland duidelijk te merken, evenals de afgenomen betekenis van de landbouw. Boeren moesten het vroeger toch hebben van wederzijdse hulp. Maar de varkenshouder heeft sinds een paar jaar een fabriekje in vloerverwarming, waarvoor hij de hele wereld over reist en de melkveehouder werkt bij een autodealer in het dorp verderop.
De overgebleven boeren vertellen in het SCP-rapport dat ze door toegenomen specialisatie en concurrentie minder contact hebben met andere boeren. Deze ‘verdunning van de relaties’ wordt verder in de hand gewerkt door de komst van de nieuwkomers “de heterogeniteit van de plattelandsbevolking neemt toe, wat het minder vanzelfsprekend maakt dat mensen bij elkaar betrokken zijn.” Wel zijn er volgens Wiskerke duidelijk twee groepen nieuwkomers. Enerzijds zij die net doen alsof ze in de stad wonen, vooral hun eigen gang gaan en zodoende zorgen voor ‘mentale verstedelijking’. Anderzijds ook een grote groep die juist vanwege de overzichtelijkheid en de sociale verbondenheid naar het platteland komt én zich daar vervolgens ook voor inzet.
Al met al is het rooskleurige beeld uit het SCP-rapport genuanceerd en gezien de bedreigingen mogen overheden dan ook niet achteruit te leunen, vindt Wiskerke. Die neiging hebben ze nog wel eens, voortkomend uit een vaak impliciet geromantiseerd beeld van de sociale cohesie op het platteland: daar redden ze zichzelf wel. “Maar je moet voor het in standhouden van voorzieningen niet alleen leunen op actief burgerschap. Zo van, degene die niet hard genoeg schreeuwt heeft pech gehad. En wég zijn op een gegeven moment school en bus.”

Achteroverleunen kan dus niet: er moet wat gebeuren, ook op beleidsniveau. “Verbinden van voorzieningen” is tegenwoordig een veel gehoord motto op het platteland. Als er blijkbaar geen draagvlak is voor een winkel én een café en een consultatiebureau, dan misschien nog wel als ze bij elkaar komen. Overal op het platteland verrijzen op dit moment ‘Kultuurhuzen’ of vergelijkbare initiatieven waarbij voorzieningen ondergebracht worden in één gebouw. De eerste in Zwartsluis herbergde een verzorgingshuis, de lokale radio, een peuterspeelzaal, bibliotheek, kinderopvang en ouderenhuisvesting; dat in Olst-Wijhe draait vooral om een ontmoetingsruimte, een theater en een filmhuis.
Succesvolle leefbaarheidsprojecten op het platteland moeten het hebben van een goed luisterende overheid, volgens Ron Lammerts. De Twentse gemeente Hellendoorn probeert de leefbaarheid in stand te houden door actief de vinger aan de pols te houden met een leefbaarheidsmonitor in de verschillende wijken en buurtschappen. En vervolgens met bewonerswerkgroepen - die concrete plannetjes kunnen indienen - het ‘noaberschap’ levend te houden: ‘Hellendoorn in Actie’. Het vrijwilligersknooppunt in Lettele is een initiatief van enkele leden van ZijActief, die zagen dat mantelzorg, professionele hulp en burenhulp niet altijd meer genoeg zijn om hulpvragen tegemoet te komen. Maar zonder de ondersteuning van gemeente, de provincie en de EU was het vrijwilligersknooppunt er niet gekomen.

De vraag is of dergelijke sympathieke initiatieven voldoende zijn. En de trends die geleid hebben tot een ‘community transformed’, zich niet gewoon voortzetten en uiteindelijk toch zorgen voor een ‘community lost’, een gemeenschap die teloor gaat. De Raad voor het Landelijk Gebied (RLG) was in het advies ‘Boeren, Burgers en Buitenlui’ (2002) bang voor dat laatste: “Er is een geleidelijke maar ingrijpende ontwikkeling gaande: het platteland - van oudsher de tegenhanger van de stad - dreigt te verdwijnen, zowel in ruimtelijke als in sociaal-culturele zin. Ruimtelijk uit zich dit in versnippering en verrommeling. In sociaal-culturele zin ontstaat een wereld van beleving, waarin activiteiten los komen te staan van hun historische, sociale en culturele verband.” De RLG is bang dat de stedelijke behoeften aan industrieterreinen, nieuwbouwwijken en de desinteresse in de landbouw als drager van het landelijk gebied uiteindelijk het platteland de das zullen omdoen. In plaats daarvan zou volgens de raad de minister van landbouw het initiatief moeten nemen voor een ‘sociaal-culturele agenda van het platteland.’ Een dimensie die bijvoorbeeld volledig ontbrak in het debat ‘Ruimtelijke Agenda 2007’ van de Volkskrant. Terwijl zonder die karakteristieke sociaal-culturele dimensie van het platteland Nederland iets cruciaals dreigt kwijt te raken, volgens de RLG: 'Ruraliteit' - sociale cohesie, culturele identiteit, rust en ruimte - moet worden gekoesterd als een belangrijk bindmiddel in een geïndividualiseerde samenleving”.


Gepubliceerd in: Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, september 2008