Tuin met gevoel voor de Achterhoek

De schoonheid van de tuin van De Wiersse heeft een lange geschiedenis. Een wandeling over De Wiersse met de landgoedeigenaar Edward Victor Gatacre. “Het geheel maakt het zo bijzonder.”

Een reis terug in de tijd. Dat is het binnenstappen in de werkkamer van Edward Victor Gatacre, kasteelheer van buitenhuis De Wiersse bij Vorden. Zeventiende eeuwse portretschilderijen aan de muren en boven de gemarmerde schouw. Een secretaire, een gebloemde sofa op een Perzisch tapijt en verder overal boeken. In kasten, op de tafel en de secretaire, in een houten carrousel, in een fauteuil en op de vloer: eeuwenoude en nieuwere boeken over cultuurhistorie, planten, parken en tuinen. Met zijn tachtig jaren mag de bewoner en eigenaar van De Wiersse inmiddels ook op leeftijd zijn, in Gatacre blijft de geschiedenis sprankelend en springlevend. Hij kijkt over de gracht op de rozentuin waarin werklieden bezig zijn. “Die is in 1912 aangelegd door mijn moeder, Alice de Stuers”, vertelt Gatacre in keurig Nederlands. De verschillende keren dat de telefoon gaat verraadt het Oxford-Engels waarop Gatacre overschakelt, zijn familiegeschiedenis: zijn vader William Edward Gatacre was van Iers-Engelse afkomst. Die legde de basis voor wat het Algemeen Dagblad eens “de mooiste tuin van Nederland” noemde. Te bewonderen tijdens de verschillende open dagen: van de uitbundige rode, roze en paarse bloesems van de rododendrons in mei; de borders met zeldzame lelies en de moestuin in juli, tot aan de laatste rozenbloei tegen herfstkleuren in oktober.

“De Wiersse is zo bijzonder vanwege de combinatie van het huis, het historisch archief, de tuin, het landschapspark en de pachtboerderijen in het landschap”, vertelt Gatacre. De geschiedenis van De Wiersse gaat in ieder geval terug tot 1288. De abdis van het adellijke vrouwenklooster in Hoog-Elten liet toen in een akte opschrijven dat de pacht jaarlijks op haar huis ‘de Wedersche’ moest worden voldaan. Sinds 1678 is het landgoed in handen van dezelfde familie gebleven. De moderne geschiedenis begint met Gatacre’s opa Victor de Stuers, eind negentiende eeuw de grondlegger van de monumentenzorg in Nederland. Hij liet de buitenplaats restaureren. Zijn dochter Alice de Stuers en haar man William Edward Gatacre namen de herinrichting van de tuin ter hand en die ligt er, samen met het omringende landschapspark, nog steeds bij zoals zij het uittekenden.
“Het is altijd vanzelfsprekend geweest dat ik het beheer van het landgoed van mijn ouders zou overnemen”, vertelt Gatacre. “Dat was geen keus: zo was het nu eenmaal. Ik ben er ook altijd heel erg in geïnteresseerd geweest. Ongemerkt heb ik, als ik met mijn ouders door de tuin en de bossen liep, heel veel geleerd over bomen en planten.” Niet dat Gatacre geen andere dingen heeft gedaan en niks van de wereld heeft gezien: hij werkte onder andere voor een handelsmaatschappij in West-Afrika en voor Madame Tussaud in Londen. In 1963 nam hij het beheer van het landgoed over en vanaf 1985 is hij er voltijds mee bezig. “Meer dan fulltime. Het wordt steeds ingewikkelder, door subsidieregelingen en overheidsbemoeienis.”

Die overheid heeft niet altijd oog voor het eigen karakter van De Wiersse. Zo bedachten provinciale plannenmakers dat de boerenbedrijven op het landgoed plaats moesten maken voor ‘nieuwe natuur’. “Maar zonder landbouw ben je je landschap kwijt, je sociale structuur, de economische dragers”, vindt Gatacre. Het plan ging niet door, omdat ook de overheid het belang van cultuurlandschap ging inzien. Maar gerust is Gatacre er niet op. “Je hoort nog steeds politici die het landschap vooral zien als recreatiegebied voor stedelingen zien. Maar iets dat voor recreatie is gemaakt, is niet meer zo aantrekkelijk. Je gaat ook niet graag naar een restaurant voor toeristen. Je zoekt een restaurant waar de eigen bevolking heen gaat. Toerisme moet je altijd als bijverschijnsel beschouwen, anders verdwijnt de authenticiteit.”

Voor een wandeling door de tuin neemt Gatacre een lange knoestige tak als wandelstok. “De paden zijn door mijn vader zo breed gemaakt, dat je comfortabel met zijn tweeën naast elkaar kunt lopen”, legt hij uit. “Hij vond dat tuinen en parken het best in gezelschap ervaren kunnen worden.” Via een houten bruggetje gaat het over de Baakse beek, die dwars door de tuin loopt. Vanaf ‘het lange pad’ kijk je over ‘het hooiland’, tussen twee in kaarsrechte vierkanten geschoren taxussen door, op weilanden, bosjes en alleenstaande eiken. “De structuur die mijn vader grotendeels tussen 1919 en 1928 heeft aangebracht is heel belangrijk”, volgens Gatacre. “De formele tuin gaat aan het eind geleidelijk over in een landschapspark en daarna het coulisselandschap. Het is doordacht, met gevoel voor de tuin, met gevoel voor het karakter van de Achterhoek.”
De opzet van de tuin is sinds het begin van de vorige eeuw hetzelfde gebleven, maar dat wil niet zeggen dat er niks is veranderd. Bomen worden groter en soms moet je verjongen. Er is nu ook veel meer verkeer, daarom worden nu de randen van het landgoed zo dicht mogelijk begroeid: vroeger was dat niet nodig. Het is ook niet zo dat Gatacre zich helemaal niks van de modes aantrekt. In de twintiger jaren van de vorige eeuw waren coniferen, fijnspar, douglassparren en larix in de mode. Een heel stuk inplanten met coniferen, dat zou hij nu niet meer doen.”Maar een gemengd bos met coniferen kan mooi zijn. Er zijn geen lelijke planten, wel lelijke combinaties van planten.” Lachend voegt hij er aan toe: “Weet je trouwens dat, net als bij mensen, bomen verschillende fases hebben waarin ze mooi zijn? Een hele jonge eik is aardig, als ze twintig, dertig zijn is er niet veel aan, maar vanaf vijftig jaar worden ze weer mooi.”

Aan het eind van ‘het lange pad’ slingeren we door bosachtige stukken met telkens andere doorkijkjes op vergezichten, fonteinen, de karpervijver of de gracht. “Mijn vader heeft veel rododendrons aangeplant: die zorgen op een vlak terrein voor verrassingseffecten.” De rododendrons werden destijds vanuit Boskoop per schip over de IJssel naar Zutphen gebracht en vervolgens met paard en wagen afgehaald.
Gatacre wijst op een schiereilandje in de karpervijver met een paar imposante schuin staande eiken. “Daar zitten levendbarende hagedissen (in Nederland zeldzaam, MB). Mijn kinderen vonden ze toen ze daar een keer een tent hadden neergezet. Ik geloofde het eerst niet, maar ze kwamen ze me in een lucifersdoosje laten zien. Volgens de experts horen ze hier helmaal niet. Maar gelukkig houdt de natuur zich daar niet altijd aan.”

We lopen een laan in met aan weerszijden gesnoeide taxussen en via een poort in de beukenhaag komen we in de moestuin. Dit is vooral het domein van Gatacre’s vrouw Laura Dru. “Zij werkt voor meer dan de helft van haar tijd in de tuin.” Groenten als zeekool, groene asperges, pastinaken, rabarber, wortelen en bonen groeien hier in rechthoekige bedden. Naast een fleurige weelde van pioenen, rozen, vingerhoedskruid en snijbloemen. Plus kleinfruit als herfstframbozen en vaste planten, die hier opgekweekt worden om later elders in de tuin te worden uitgeplant. De oogst aan groente en fruit gaat richting de keuken van de Wiersse.

Vanaf de moestuin leidt ‘het Kromme pad’ naar de vroegere tennistuin, die nu vol staat met oude appelrassen, pruimen en mispels. Van daaruit slingert het via een berceau – een tunnel van beugenhagen – over de buitengracht naar de rozentuin die de moeder van Gatacre op zeventienjarige leeftijd ontwierp. Sommige variëteiten uit die tijd doen het nog steeds, al hebben de rozen wel last van aaltjes. “Om die te bestrijden hebben we er Afrikaantjes tussen gezaaid. Uit ervaring weten we dat het helpt en bovendien staat het rood-bruin van de ‘Dixter’ variëteit ook nog eens heel mooi.” Via een lange pergola met klimrozen, witte en blauwe regen en clematis, komen we weer in een hele andere wereld, de beschutte ‘Lage tuin’, met een Zuid-Europese sfeer. In de borders groeien zeldzame varensoorten – ook een specialiteit van Laura Dru – magnolia’s, malva’s, campanula’s en zo’n tweehonderd andere uiteenlopende planten. De vierkante tuin is symmetrisch ingedeeld, maar een ronde rietgedekte hut staat net naast de middellijn. “Dat was vroeger de ijshut. Toen er fabrieksijs kwam werd het gereedschapshok en nu wordt het behalve voor gereedschap ook als theehuisje gebruikt. Hij staat expres niet op de as om het zo minder formeel te maken en meer menselijk”, vertelt Gatacre.
Het menselijke en individuele karakter van het landgoed, daar komt Gatacre telkens op terug:
“Het gaat om het gevoel voor het geheel en je daar bewust van te zijn: de geest van de plek is het allerbelangrijkste. Dat wijst aan wat je moet doen. Dat is het voordeel als je hier woont, dan héb je dat gevoel.” Het ligt dan ook voor de hand dat zijn kinderen in zijn voetsporen zullen treden. “Zij snappen de noodzaak van de continuïteit.”


Gepubliceerd in Noaber, zomer 2008