Je verbonden weten

‘Milieu’ is niet zomaar een beleidsterrein, maar raakt uiteindelijk aan de zin van het leven. Mijn laatste artikel als redacteur van Milieudefensie Magazine.

“Als je een dichter bent, dan zie je duidelijk dat er een wolk drijft in dit papier. Zonder wolk is er geen regen; zonder regen kunnen de bomen niet groeien; en zonder bomen kunnen we geen papier maken …Als we nog dieper in dit papier kijken, kunnen we er zonneschijn in zien. Als de zon er niet zou zijn, kan het bos niet groeien. En zo weten we dat er ook zonneschijn in dit vel papier is. Als we nog langer kijken, kunnen we zeggen dat alles hier is, in en met dit vel papier. Er is niets aan te wijzen dat niet hier is – tijd, ruimte, de aarde, de regen, de mineralen in de bodem, de zon, de wolk, de rivier, de warmte. Dit vel papier bestaat omdat al het andere bestaat.” Thich Nhat Hanh, zen-boeddhistische monnik


Zoals een vel papier, bestaat een mens dankzij de wereld om hem heen. Wij zijn hoe dan ook verbonden met de natuur, het milieu, de aarde, de schepping of hoe je de wereld buiten ons ook wilt noemen. Ook als we het ons niet realiseren, is het toch zo, of we dat nu leuk vinden of niet. Bij elke inademing nemen we iets van buiten helemaal in ons op, bij elke uitademing laten we iets van onszelf los in de buitenwereld, duizenden keren per dag en nacht, vele miljoenen keren in een mensenleven. Kijk eens naar je linkerduim: eens was dat een boterham met pindakaas, onder andere. Je lichaam is stof dat uiteindelijk en onverbiddelijk via toiletpot en begrafenis of crematie weer aarde wordt, ashes to ashes, dust to dust.
Stel dat we ons dat ecologische, wetenschappelijke feit van die onlosmakelijke verbondenheid tussen onszelf en de buitenwereld goed zouden realiseren en daar naar zouden handelen. Dan zou de aarde er vast een stuk aantrekkelijker en groener uitzien. Maar we realiseren ons die verbondenheid niet, of niet voldoende en zeker niet ten diepste.

Ondoorgrondelijk
Waarom niet? Misschien omdat we onszelf veel groter hebben gemaakt dan wij in werkelijkheid zijn. Wij doen alsof we de maat der dingen zijn. Maar stel dat we de vijf miljard jaar die de aarde bestaat in één kalenderjaar passen. Dan is het plantaardige leven in de eerste helft van juli verschenen, het dierlijke leven rond 10 november en Jezus 12 seconden voor het einde van het jaar geboren. Onze aarde draait rond de zon, één van de 150 miljard sterren in ons melkwegstelsel, één van de miljarden melkwegstelsels in het universum. Kijk eens op een heldere nacht hoog naar de hemel, dan zie je misschien de Andromeda-nevel. Dat wil zeggen: je ziet hoe die sterrennevel er tweeënhalf tot drie miljoen jaar geleden bij hing, want zolang doet het licht dat het uitstraalt erover om de aarde te bereiken. Als we het universum inkijken, zien we alleen hoe het daar was, niet hoe het is. Een mensenleven is tegen deze immense ondoorgrondelijke kosmische achtergrond een minuscuul vonkje. Wonderlijk en nederig stemmend.
Natuurlijk, de wetenschap brengt ons inzichten. De zon draait niet om de aarde, elke celkern van de mens telt 46 chromosomen. Telkens komen er brokjes kennis bij. De oerknal zou het begin van het universum zijn geweest. Maar waar kwam die oerknal vandaan en wat was er voor die oerknal? Wat is er achter de grenzen van ons heelal? Gaan we daar heen misschien, na onze dood? Niemand weet het, geen mens zal ooit met zekerheid antwoord kunnen geven op deze vragen. Het hoe en waarom van het leven zal verborgen blijven achter elke nieuwe ontdekking van de wetenschap. Het leven is in essentie een groot mysterie en zal dat altijd blijven.

Spiritueel
Het kan beangstigend zijn, dat grote totaal onbekende. Maar als je het accepteert - en er zit niks anders op - dan kan het juist bevrijdend werken. Het besef dat het leven een mysterie is, kan innerlijke rust brengen. En het wonderlijke is nu dat juist in een houding van acceptatie en niet-weten je een veel grotere verbondenheid kunt ervaren met het geheel waarvan we deel uitmaken.
Velen van ons kennen wel van die korte momenten, bijvoorbeeld tijdens een wandeling waarbij het zonlicht door de bomen valt, tijdens het luisteren naar een muziekstuk, of bij de geur van een bloesem die ons op een zwoele zomeravond overvalt. Plotseling is er een moment van grote vredigheid. Alles valt op zijn plek, alles is één, het onderscheid tussen jezelf en de wereld is verdwenen, je voelt je gedragen, even ook is er geen tijd. Vlak daarna is het weer weg, jammer, maar we voelen ons geraakt. Door wat, ja door wat? Wat we verstandelijk weten – we staan in verbinding met de rest van de kosmos – ervaren we dan.
Het bewust stilstaan bij, ervaren van en overgeven aan de eenheid van de kosmos zou je ´spiritueel´ kunnen noemen. Of ´religieus´ in de oorspronkelijke betekenis van ´opnieuw verbinden´. Bij het gebruiken van de woorden ´spiritueel´en ´religieus´, zullen vast een boel mensen afhaken en dit vel papier, waarin alles is, terzijde leggen. Daarom: spiritualiteit ontaardt inderdaad nogal eens in zweverigheid, kaartlezen, geluksamuletten en zo. Een waarborg tegen dergelijke zweverigheid is het zelf ervaren, het letterlijk je beide voeten op de grond voelen staan. Die geaarde spiritualiteit zou je de oorspronkelijke kern van veel religies kunnen noemen. Maar religieuzen zijn net mensen: de kern gaat vaak verloren door institutionalisering, macht, beeldvorming, rare regels en wetten, discriminatie en geweld. Het is begrijpelijk dat veel mensen daarom niks meer met georganiseerde religies van doen willen hebben. De kunst is om met het badwater ook niet het kind weg te gooien en het contact met de waarachtige kern te behouden. Het persoonlijk ervaren van de verbinding tussen mensen, levende wezen, de aarde en de eenheid in de kosmos is vervullend en zingevend.

Contemplatie
En schiet het milieu daar ook wat mee op? In 1945 schreef de Hongaars-Britse filosoof Arthur Koestler het artikel ‘De yogi en de commissaris’. Daarin staat de commissaris voor de activistische beambte die gelooft in verandering van buitenaf met alle middelen en logisch redeneren als onfeilbaar kompas. De Yogi daarentegen gelooft dat niets kan worden verbeterd door uitwendige organisatie en alles door de individuele poging van binnenuit, waarbij het denken uiteindelijk zinloos is, in het licht van het Absolute. Beiden lopen vast in hun eenzijdigheid, volgens Koestler. De commissaris ontaardt in het uiterste geval in een stalinist, een verwrongen mens die alle contact met zijn diepere lagen en de navelstreng die hem verbindt met de schepping heeft doorgesneden. Maar de innerlijke vrede, harmonie en rust van de Yogi verandert niks aan de structuren die onrechtvaardigheid en milieuvervuiling in stand houden. Koestler pleit voor een synthese van beide typen.
Maar makkelijk is dat niet, actie en contemplatie verenigen. “De contemplatief die zich in actie stort, verliest gemakkelijk het contact met de (…) oergrond waaruit zijn bestaan werd gevoed”, schreef de priester-psycholoog Han Fortmann. En omgekeerd: een activist die zijn vergadering verlaat om te bidden of mediteren is zeldzaam en als hij het al doet, lukt het hem niet om de rust te vinden en meent al snel dat hij zijn kostbare tijd verspilt. Maar daarmee blijft de activist wel even oppervlakkig en ondiep als de maatschappij die hij terecht bekritiseert en dus onderdeel van het probleem. Wie heeft er wijze raad? In het Boeddhisme zijn Bodhisattva’s zij die – na de weg te hebben bewandeld, de (figuurlijke) berg op - verlichting hebben bereikt. Waarna hen er niks van weerhoudt daar voor altijd – verlost van alle lijden - te blijven zitten. Toch doen ze dat niet, dalen de berg af om zich in de wereld te begeven, totdat – zo beloven ze – de laatste grasspriet in hun bevrijding deelt.

Gepubliceerd in Milieudefensie Magazine, december 2007