Sla uit het park

Stadslandbouw

Hoe af te komen van voedselkilometers, terwijl de helft van de mensheid inmiddels in de stad woont? Heel simpel: broccoli en sla van stedelijke bermen en balkons. Oftewel stadslandbouw. “Grote delen van de stad blijven op dit moment onbenut”.


Midden tussen het steen, asfalt en beton van South-Central Los Angeles floreerden tot vorig jaar sla, broccoli, avocado's, bananen, perziken en een massa andere groenten, fruit en kruiden. Driehonderdvijftig immigrantenfamilies werkten en leefden er van, hielden er festivals en boerenmarkten, op een terrein van vijftien voetbalvelden groot. Maar een politiemacht verdreef in de zomer van 2006 de stadsboeren en bulldozers ragden de groene oase plat: ondanks protesten was de grond verkocht aan een projectontwikkelaar met bouwplannen. Het was het einde van een van grootste vormen van Amerikaanse stadslandbouw. Elders, in de Culmborgse nieuwbouwwijk Eva-Lanxmeer bijvoorbeeld, wordt de stedelijke oogst elk jaar groter. Nu de helft van de mensheid in steden woont, neemt ook het belang van stadslandbouw toe. “Ik zie absoluut een toename van de interesse in stadslandbouw in het westen”, zegt Debra Solomon, een van de curatoren van de tentoonstelling ‘De Eetbare Stad’ die onlangs werd gehouden in het Nederlands Architectuur Instituut in Maastricht en binnenkort wordt geëxporteerd naar buitenlandse steden.

Havana

Waarom zou je voedsel ín de stad verbouwen? “Dat hangt af van de urgentie”, zegt Solomon. Simpelweg om op die manier aan voldoende eten te komen of om een beetje geld te verdienen: de belangrijkste voor de hand liggende redenen in de arme steden of wijken. Toen eind jaren tachtig de Sovjet-Unie uiteen viel en Cuba niet meer van olie voorzag, bleven de Cubaanse landbouwmachines noodgedwongen werkeloos in de schuren staan. En moest de voedselvoorziening op een nieuwe leest geschoeid worden: met behulp van lokale middelen, zonder olie, kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen. In alle hoeken en gaten legden de inwoners van Havana groenten- en fruittuinen aan en inmiddels voorziet de Cubaanse hoofdstad voor tachtig procent in de eigen voedselbehoefte. “In armere landen betekent stadslandbouw het verschil tussen een normaal leven of niet.” zegt Solomon.
In rijke landen is verbetering van de leefbaarheid de voornaamste reden om in de stad aan de gang te gaan met wortelen, boontjes en courgettes. “Mensen gaan beter om met plekken waar voedsel groeit”, zegt Solomon. In de Engelse (voormalige) industriestad Middlesbrough is ze betrokken bij een project waarbij zo’n duizend mensen deze zomer door de hele stad heen groenten en fruit telen in grote en kleine bakken. Een groenere stad is een prettigere stad, dat vindt eigenlijk iedereen. “Maar het is ook een manier om het kapitaal te vergroten. Dat kun je heel makkelijk onderbouwen. Neem een luchtfoto van een stad. De rijke plekken hebben veel groen, de arme weinig. Door de armere plekken groener te maken, doe je aan waardeverhoging.” Maar dat gold dan blijkbaar niet voor de projectontwikkelaar in het South-Central Los Angeles die daar de stadsboeren liet verdrijven? “Dat is ook kortzichtig. Een projectontwikkelaar wil zoveel mogelijk huizen op een vierkante meter zetten en daarna verkopen. Wat er vervolgens op zo'n plek gebeurt, zal zo'n bedrijf worst wezen. Maar de stad als geheel gaat het zeker aan.”
Het stadsbestuur van Middlesbrough zag wél wat in stadslandbouw en stimuleerde ook
vijftien lager en middelbare scholen mee te doen. Om kinderen (weer) te leren waar hun eten vandaan kom, onder het motto “Kooklessen zonder supermarkt”. En om het in Engeland zeer hete onderwerp van food miles handen en voeten te geven: veel van ons dagelijks eten wordt met behulp van fossiele brandstoffen en bijbehorende CO2-uitstoot van over de hele wereld aangevoerd. Terwijl je het ook gewoon in het park om de hoek kunt laten groeien. “Al het groen wat je ziet als je uit je raam kijkt, zou in principe eetbaar groen kunnen zijn”, zegt Solomon. Privé-tuinen, bomensingels, parken, plantsoentjes, balkons, daken, bermen, rivierbeddingen: “Grote delen van de stad blijven op dit moment onbenut”.

Geen hoofdletters

Het eetbare groen zit ingebakken in het ontwerp van de Culemborgse nieuwbouwwijk Eva-Lanxmeer, waarvan de eerste woningen in 1999 werden opgeleverd. In korte tijd is de wijk een groene oase geworden. De privé-tuintjes van de 250 woningen lopen geleidelijk over in het openbare groen, inclusief fruitbomen en bessenstruiken, moestuinen en een stadsboerderij met zorgtaken. De stadsboerderij heeft inmiddels haar eerste oogstfeesten achter de rug, met steun van de gemeente: “De stadsboerderij moet ervoor zorgen dat voedselproductie- en educatie, recreatie en openbaar groen in één ‘pakket’ worden aangeboden.” Niet alleen voor de inwoners van de wijk Lanxmeer, maar voor heel Culemborg, hoopt de gemeente: “Iedereen moet namelijk zijn weg kunnen vinden naar de boerderij om te ontspannen in een natuurlijke omgeving, waar bovendien verse producten van het land
kunnen worden gekocht.”
De appels en peren aan de bomen in de Tilburgse nieuwbouwwijk Tuindorp krijgen geleidelijk al weer meer kleur. 102 verschillende fruitbomen zijn er in 1997 gepoot, onder begeleiding van kunstenaar herman de vries, die vind dat plantennamen en zijn eigen naam niet met een hoofdletter mogen worden geschreven, “om hiërarchieën te vermijden”. In zijn werk stelt de vries de verstoorde relatie tussen mens en natuur aan de orde. Doordat er kan worden gegeten uit voortuinen, hoopt de kunstenaar dat we “we elkaar vertellen over onze ervaringen met planten en onze gemeenschappelijke kennis en ervaring uitbreiden”.

Pig-City
Niet alle stadslandbouwplannen ogen even romantisch, was te zien op tentoonstelling Eetbare Stad. Hoge futuristische flats met namen als ‘tour vivante’, ‘sky farms’, of ‘vertical farming’ zitten ook in de pen. Bedoeling van dergelijke ontwerpen is dat al het organische afval dat de bewoners er afleveren, plus het door het gebouw opgevangen regenwater wordt gebruikt om op de verschillende verdiepingen groenten en fruit te telen. Een stap verder gaat Pig-City, oftewel varkensflat-achtige dingen. Overeenkomst tussen al deze flat-vormen: ze bleven tot nu toe beperkt tot dagdromerijen boven de tekentafel. De aanhangers van stadslandbouw van de stadslandbouw moeten in ieder geval niks van de varkensflats hebben: ze gaan er van uit dat zowel de productiemiddelen uit de buurt moeten komen, als dat het voortgebrachte voedsel lokaal wordt afgezet. Bij varkensflat kan dat helemaal niet: er is te weinig grond in de buurt om al die duizenden gestapelde beesten te voeden.
“Wat voor soort landbouw wil je?”, dat is de vraag die ook op stadslandbouw aan de orde is, vindt Solomon: “Moet Nederland tachtig procent van zijn voedsel importeren? Nee, dat is niet nodig.” Wat helemaal niet wil zeggen dat iedereen op zijn eigen balkonnetje zelfvoorzienend moet gaan zitten wezen. “Stadslandbouw en landbouw in het algemeen is nooit bedoeld als ‘ieder z'n eigen ding doen’. Het heeft geen zin voor elk persoon, of zelfs elke familie alles zelf te willen doen. Voor twee liter melk wekelijks ga ik geen koe houden. Maar tussen niks doen en een significante onderdeel van je eigen voedsel te voorzien is een groot verschil”, volgens Solomon. Rest nog de vraag of het wel schoon genoeg is in de stad. Solomon: “Sla langs de stedelijke snelweg: die wil ik niet eten. Maar het zet je wel aan het denken over die snelweg. En opent daarmee de mogelijkheid de toekomst van de stad anders te zien.”

Voor meer informatie over stadslandbouw, zie de website van Debra Solomon.

Gepubliceerd in Milieudefensie Magazine, juli/augustus 2007

Foto: stadslandbouw in Middlesbrough