Leve de luiheid

Voor een ontspannen samenleving

In plaats van harder werken, zoals kabinet en werkgevers willen, heeft de aarde baat bij minder vlijt.  “U wilt terug naar de plaggenhutten!” Nou nee, maar naar 1970 zou niet gek zijn.

Wie kent het niet, op vakantie? Het verlangen dat heerlijke kalme Zuid-Europese levensritme ook na de vakantie in ieder geval een klein beetje vast te willen houden. Het voornemen je minder te laten opjagen, de baas te blijven over je werk, in plaats van andersom. Om na een week kantoor, files, treinen, honderden e-mails, opdringerige mobiele telefoontjes, vergaderingen en deadlines te merken dat het weer niet is gelukt: kalm leven, het zit er niet in. Maar volgens ex-minister Brinkhorst van Economische zaken, en met hem de
werkgevers, werken we lang nog niet hard genoeg, luie donders die wij onderdanen en arbeiders zijn. Naar veertig uur moet de werkweek, ook na je vijfenzestigste doorwerken – dat doet de minister zelf toch ook! – en het aantal vakantiedagen is hier in Nederland luilekkerland bespottelijk hoog. Zo redden we het niet in de concurrentieslag met China en India en om de pensioenen betaalbaar te houden. Arbeidsongeschikt? Stel je niet aan: schop onder je kont en meedraaien met de economie. Maar wij, wij werknemers hebben op vakantie diep nagedacht. Nog harder werken: waartoe, waarvoor en waarom? En we kwamen tot de conclusie: de wereld gaat aan vlijt ten onder, mí­nder gewerkt moet er worden.

Centrale verwarming
Nu Brinkhorst als ex-minister eindelijk onverwachts ook een lange vakantie heeft gekregen moet hij maar eens wat diepgravends lezen. Van de antropoloog Sahlins bijvoorbeeld. Die onderzocht de vroegere samenlevingen van jagers en verzamelaars. En ontdekte dat die niet arm waren, niet in permanente schaarste leefden, de draagkracht van het milieu niet ondergroeven en toch maar vier uur per dag werkten. Als je daar vanuit je luie vakantiestoel op reflecteert, komt de vooruitgang die we in onze moderne samenleving hebben geboekt,
inclusief bijbehorend arbeidsethos, in een heel ander daglicht te staan. “U wilt terug naar de plaggenhutten!” horen we Brinkhorst al roepen. Nou nee, maar naar 1970 bijvoorbeeld zou niet gek zijn. Centrale verwarming hadden we toen ook al: eigenlijk ontbrak het ons aan niets belangrijks. Toch is het inkomen per hoofd van de bevolking sinds 1970 zes keer zo hoog geworden: Nederland is een stinkend rijk land. Waarom en vooral ten koste van wat? Veel té rijk zijn we, als je kijkt naar het beslag dat we met ons leefpatroon leggen op de wereldvoorraad hulpbronnen. Als alle zesenhalve miljard mensen dezelfde leefwijze er op na op houden als wij, zou dat fysiek onmogelijk zijn: daar is de aarde niet op berekend. Nog
meer werken betekent nog meer produceren en consumeren, betekenen een nog groter beslag op de hulpbronnen. In verwoede pogingen om vooral méér te blijven produceren en consumeren dan de Chinezen, die ons in het opeten en bevuilen van de aarde naar de loef proberen te steken. Een zinloze, doodlopende weg.

Schoonzoon van Marx
Nog meer interessante boeken voor in de koffer: In Praise of idleness van Bertrand Russell bijvoorbeeld uit 1935, die toen al vond dat er te hard gewerkt werd. Of het nog oudere geschrift Recht op luiheid uit 1883 van Paul Lafargue, de schoonzoon van Karl Marx: “Een zonderlinge waanzin heeft de arbeidersklasse bevangen van de landen waarin de kapitalistische beschaving overheerst. Deze waanzin is de liefde voor de arbeid, de woedende hartstocht om te werken… In plaats van tegen deze afwijking in te gaan, hebben de economen de arbeid als allerheiligst verklaard.” Volgens Lafargue zou arbeid, pas wanneer het zou worden beperkt tot een maximum van drie uur per dag, een “kruiding worden voor de geneugten der luiheid”. Hij verbaasde zich er over dat naarmate tijdbesparende machines beter werden, de mensen de neiging hadden de concurrentie daarmee aan te gaan, in plaats van de machines het werk te laten doen.
Die paradox bepaalt ook voor een groot deel onze huidige manier van leven. Er is zoveel almaar intelligenter wordende techniek. Materieel hebben we zat, in ecologisch opzicht veel te veel zelfs. En toch moeten we harder werken dan de jagers en verzamelaars die met pijl en boog genoeg te eten hadden. Tien procent van de werkenden heeft last van een burnout, één op de zes à zeven vrouwen gebruikt slaap- of kalmeringsmiddelen (twee keer zoveel als mannen), het aantal arbeidsongeschikten – meestal als gevolg van stress – loopt afhankelijk van de rekenmethoden naar de één miljoen, zestig procent van de werknemers klaagt over te grote werkdruk: stress is volgens vakcentrale FNV werknemersziekte nummer één. En dan zouden we harder en langer moeten gaan werken?

Avondmaal
Maar wat bedoelen de bestuurders, de financiële opperhoofden en CEO’s als ze zeggen dat er harder gewerkt moet worden? Harder werken voor hun economie, niet het vele onbetaalde maar oh zo zinnige werk in huishoudens en scholen, in buurthuizen en sportverenigingen. Het werk van de ingenieurs die met vierenhalf miljard euro overheidssubsidie een Betuwelijn aanleggen, dat is wat ze bedoelen met werk dat meetelt in hun statistieken. Niet dat van de paps en mams die in hun vrije uren op school kinderen met leesachterstand helpen, of een lekker en gezond avondmaal koken. Behalve als er bezuinigd moet worden, dan vindt de overheid ineens dat de burgers wel voor niks moeten werken: op 1 januari 2007 wordt de Wet Maatschappelijke Ondersteuning van kracht. Die komt er op neer dat hulpbehoevenden eerst in een eigen sociale omgeving moeten
kijken of familie en buren bij kunnen springen bij ziekte en handicaps, voordat ze in aanmerking komen voor betaalde zorg. Op zich niks mis mee. Maar dat gaat niet lukken als mensen ook nog eens langere werkweken én na hun vijfenzestigste betaald werk moeten verzetten: het zijn vooral ook de vutters en deeltijd-werkende vrouwen die bergen aan onbetaald maar onmisbaar werk verzetten op scholen en in buurten. En wij mannen moesten
toch juist minder aan onze carrière werken? Waar is de vrouwenbeweging gebleven, die in jaren zeventig en tachtig pleidooien hield voor vijfurige werkdagen en vijfentwintigurige werkweken? In feministisch maandblad De Opzij wordt, onder aanvoering van hoofdredactrice Cisca Dresselhuys,  een carrière buiten de deur als hoogste goed voorgeschoteld.

Bangmakerij
Eén ding is geruststellend: mensen pikken het niet, die ratrace. Wilt u een economie gericht op de globalisering, maximale winst en carrière, of een meer kleinschalige, geborgen, zorgzame, samenleving waarin er wat rustiger aan wordt gedaan? Vroeg het Milieu- en Natuurplanbureau van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu vorig jaar aan de burgers. Dat eerste scenario van de kabinetten Balkenende kon rekenen op steun van zes procent van de bevolking, het scenario voor de ontspannen samenleving was het populairst.
Dat bleek ook wel op 2 oktober 2004 toen de vakbeweging demonstreerde voor het behoud van pré-pensioen en zesendertigurige werkweek. “Wilt u nog vroeger op en later naar bed, steun dan het kabinet”, riep toenmalig FNV-voorzitter De Waal. Ruim driehonderdduizend mensen kreeg de vakbeweging er voor op de been: kom mensen niet aan hun tijd. Materieel heeft het gros van de burgers niks te klagen. De kwaliteit van het bestaan, daar gaat het om. Balkenendes en Brinkhorsten: wij laten ons niet gek maken door uw bangmakerij. Gaat u vooral nog wat marathonvergaderen met uw collega’s en werkgeversvrinden. Wij gaan lekker naar bed en redden daarmee en passant de wereld.


Gepubliceerd in Milieudefensie Magazine, mei 2006