Het belang van baardkuifhoen en Brabantse bellefleur

Agro-biodiversiteit

Wat missen we als we het binnenkort zonder het oeroude brandrode rund, de Overijsselse lang-ovale blauwkop, de Nederlandse baardkuifhoen en de Vroege zoete paradijsappel moeten stellen? Nederlands agrarisch erfgoed en veel ander waardevols. “Zonder steun, verliezen we het.”

Grote kans dat als Marlies Hermans er niet was geweest, het brandrode rund was uitgestorven. Bij haar eko-boerderij aan de Waaldijk in Beuningen staan ze met hun diep donker rode kleur prachtig af te steken tegen het groen van het lentegras van de uiterwaarden. Er waren er nog maar een paar van, begin jaren tachtig. Van deze ‘dubbeldoel’ koeien: voor zowel het leveren van melk als vlees. Die regelmatig vereeuwigd zijn op doeken van de grote Nederlandse landschapsschilders en daarom ook wel Paulus Potter koeien worden genoemd. Vriendelijke beesten zijn het. “Dat komt omdat ze rustig en zelfverzekerd in de groep opgroeien. Ze begrijpen snel wat de bedoeling is en voelen zich niet gauw bedreigd door mensen”, vertelt Hermans. Om biologisch, natuurlijk en diervriendelijk te kunnen boeren, komen de kwaliteiten van oude veerassen haar goed van pas. Sterk, sober en winterhard zijn haar brandrode runderen. Daarom leven ze niet alleen in de natuurgebieden die ze in gebruik heeft van Staatsbosbeheer, maar ook in die van Natuurmonumenten en het Gelders Landschap. Inmiddels grazen er landelijk zo’n vier- tot vijfhonderd brandrode koeien en is het gevaar voor uitsterven geweken. Voorlopig.
Bij het woord ‘biodiversiteit’ denk je aan tropische bossen, pandaberen, orchideeën en zeggekorfslakken. Iets wat buiten is, ver weg in de natuur. Natuur die zeldzaam en bedreigd is, bijna altijd door toedoen van menselijk handelen. Handelen vaak in de vorm van landbouw. Maar waarom beschouwen we de landbouw zelf eigenlijk ook niet als een vorm van natuur? Want daar vinden we toch óók een boel diversiteit aan planten- en beesten rassen, aan biodiversiteit dus? Het officiële antwoord is: u hebt gelijk. Het internationale biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity), dat in 1992 in Rio de Janeiro is afgesloten, verplicht de lidstaten, waaronder Nederland, de biodiversiteit te beschermen. Inclusief de diversiteit aan landbouwdieren en –gewassen. En – het zal niet verbazen – met die diversiteit is het niet best gesteld: de Groninger Blaarkop, de Witrik en de Lakenvelder hebben het ook moeilijk, om wat zusjes van de brandrode koeien te noemen. Het gros van de huidige Nederlands melkkoeien is lid van de familie Fries-Holstein en stamt af van dezelfde paar stieren. En als we het over groenten en fruitgewassen hebben dan is het lijstje ‘bedreigd’ nog veel langer: de Sappemeerse vroege spitskool, de Oldambtster paardeboon, het Gronsvelder klumpke en de Vroege zoete paradijsappel vormen een fractie van de vele oude Hollandse gewassen die vrijwel of helemaal zijn uitgestorven.

Glaasje melk
“Veranderingen in de variatie aan landbouwhuisdieren is van alle tijden.” Valt te lezen in het rapport ‘Toekomst van zeldzame Nederlandse landbouwhuisdierrassen’, dat vorig jaar verscheen in opdracht van het ministerie van Landbouw. “Maar de laatste decennia neemt wereldwijd de diversiteit aan rassen en de genetische diversiteit binnen rassen steeds verder af. Er is sprake van een drastische afname van de populatiegrootte van van oorsprong Nederlandse rassen.”
Is dat erg? Wat missen we als we het zonder de Overijsselse lang-ovale blauwkop, de Nederlandse baardkuifhoen en de Brabantse bellefleur moeten stellen? We krijgen toch gewoon onze dagelijks glaasje melk, kippenboutje en elstar binnen? Volgens Bert Visser missen we er wel degelijk wat aan, als we het zonder die biodiversiteit in land- en tuinbouw moeten stellen. Visser is directeur van het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN) in Lelystad, onderdeel van de universiteit van Wageningen. Het CGN is door de minister van landbouw aangewezen om een genenbank te runnen, waarin de genen van 23 duizend verschillende plantenrassen en vijftig dierenrassen zijn opgeslagen. Visser legt uit waarom ‘genetische erosie’ in de landbouw een kwalijke zaak is: “Een van de voordelen van een grote diversiteit is dat het de weerbaarheid van je landbouwproductiesysteem versterkt. Bij meer diversiteit is er meer resistentie tegen allerlei ziekten en plagen en kun je flexibeler reageren op klimaatverandering, op extreme droogte of extreem nat weer.” Het ene gewas is bijvoorbeeld juist goed bestand tegen droog weer, het andere kan juist flink wat buien hebben. “In ontwikkelingslanden betekent meer biodiversiteit, meer voedselzekerheid.”

Stillevens
Op het westelijk halfrond is het ‘bio-culturele erfgoed’ een belangrijk motief om zoveel mogelijk rassen te behouden. Visser: “Oude appelrassen, daar houden mensen van, dat vinden ze mooi. Ook vanwege de smaak: moderne rassen zijn veel uniformer, wat vaak ten koste van de smaak is gegaan.” Maar de verduurzaming van de Nederlandse landbouw heeft er ook baat bij dat oud-Hollandse rassen niet alleen nog maar op zeventiende eeuwse stillevens en landschapsschilderijen zijn terug te vinden. “De biologische landbouw heeft grote behoefte aan rassen die resistent zijn tegen ziekten en plagen.” Die mogen daar immers niet met de gifspuit worden bestreden. En die weerstand wordt vaak gevonden in rassen die in onbruik zijn geraakt, of zelfs bijna of helemaal verdwenen.
Visser haalt cijfers aan van de FAO – de landbouw- en voedselorganisatie van de Verenigde Naties – waaruit blijkt dat wereldwijd inmiddels eenderde van de landbouwhuisdierrassen is verdwenen. Het aantal verdwenen graan-, groenten- en fruitrassen loopt in de tienduizenden. “Die krijg je nooit meer terug.” Verschillende oorzaken zijn aan te wijzen voor de voortschrijdende genetische erosie. Volgens Visser is de professionalsering van de veredeling van rassen er eentje. “Vroeger werd de veredeling door de boeren zelf gedaan. Ze fokten en kruisten beesten en gewassen die goed aangepast waren aan de plaatselijke omstandigheden.” Inmiddels zijn de meeste boeren daarmee gestopt en kopen ze hun plantaardige en dierlijke zaadjes bij de paar bedrijven in de wereld die aan veredeling doen. Dat zijn er stukken minder dan het aantal boeren dat vroeger veredelde, met minder diversiteit aan rassen als gevolg. Andere boosdoeners zijn de grote supermarkten, volgens Visser: “Die vragen om uniforme producten, die het hele jaar door in grote hoeveelheden geleverd worden.” De supermarkten doen dat met het argument dat de consument dat nu eenmaal wil, maar volgens Visser vinden ze die eenheidsworst ook prettig omdat dat makkelijk te managen is.

Raszuiver
Verschillende clubjes zijn in Nederland bezig om zeldzame groenten, fruit en beesten van de ondergang te behoeden. Zoals de Vereniging het Brandrode rund (op haar beurt aangesloten bij de Stichting Zeldzame Huisdierrassen). Jan van Riel is voorzitter van de Vereniging het brandrode rund en zelf eigenaar van twee brandrode koeien en één stier. “Met vier- tot vijfhonderd brandrode runderen in Nederland (elders komen de koeien niet voor), gaat het nu redelijk goed met het zeldzame ras.” Hij begon zich voor het ras te interesseren toen het in de mode raakte om in natuurgebieden beesten te laten grazen. “Dat was niet altijd een succes. De Galoways hadden BSE, de Franse runderen waren agressief, met de Schotse Hooglanders was weer iets anders. Toen vroegen we ons af: waarom zouden we het in het buitenland zoeken en niet trots zijn op ons eigen erfgoed?” En zo kwamen ze uit bij de brandrode runderen van Marlies Hermans. Die zomer en winter goed zelfstandig in natuurgebieden kunnen leven, zonder dat bij het werpen van kalveren een dierenarts nodig is. Hermans richtte samen met anderen de belangenverenging voor de brandrode runderen op, die de erkenning van het ras bij het ministerie van Landbouw regelde en een stamboek heeft opgezet.
Bij het behoud van een zeldzaam ras komen heel veel administratieve toestanden – en dus kosten – kijken. Registratie, administratie, DNA-onderzoek, vastleggen van DNA-onderzoek, begeleiding van het fokprogramma. “Allemaal heel leuk, maar niets gaat voor niets”, zegt Jan van Riel, die wijst op het belang van overheidssteun. Maar, zegt het ministerie van Landbouw: “Nederland stelt zich ten doel om Nederlandse zeldzame rassen het predikaat zeldzaam te laten ontgroeien zonder structurele subsidiëring van de overheid. Uit de markt zouden voldoende inkomsten gegeneerd moeten kunnen worden om de zeldzame rassen in stand te houden.” Klinkt redelijk. Maar om op die markt te kunnen werken, moeten karrenvrachten administratieve hobbels worden genomen, die het streven naar agro-biodiversiteit flink in de weg zitten. Ruurd Walrecht van de Nieuwe Akker in het Drentse Veenhuizen beheert een museumakker met honderden oude zeldzame landbouwgewassen. Er is vanuit heel Europa vraag naar Walrechts Westerwoldse grofgekrulde boerenkool, Dikke Leidse winterprei en Groene van Kamerijk veldsla. Maar verkopen mag Walrecht ze niet. Daarvoor moeten zijn gewassen namelijk op de Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen van de EU staan. Om op die lijst te komen, kost dat per gewas gauw duizenden euro’s. Met vijfhonderd verschillende groenterassen is dat voor Walrecht niet te doen. En dan heeft hij het nog niet eens over de kosten die het aanvragen van een EKO-keurmerk bij keuringsinstantie SKAL met zich meebrengen.
Jan van Riel van Vereniging het brandrode rund concludeert dan ook: “Zonder steun, verliezen we het.” Dat kan de rijksoverheid niet zomaar laten gebeuren, vindt hij. “Het Verdrag voor biodiversiteit verplicht de overheid om de biodiversiteit binnen de landbouw in stand te houden. Maar als de overheid ons niet steunt, vrees ik dat alle moeite voor niks is geweest.”


Gepbuliceerd in Milieudefensie Magazine,  mei 2006