Ecomodernisme is al 30 jaar oud

In de toekomst wordt alles beter: klimaatverandering opgelost, voedsel voor iedereen en nog genoeg natuur over ook, dankzij moderne techniek. Het ‘Ecomodernisme’ heeft een nieuwe wervende boodschap. Maar wacht even, nieuw? ‘Ze hebben dezelfde agenda als die van het conservatieve deel van het bedrijfsleven.’

Foto: Kerk in Broek op Langedijk met zonnepanelen in de vorm van een kruis

‘De laatste twee eeuwen floreert de mensheid’: punt één van het Ecomodernistisch Manifest. De gemiddelde levensverwachting is gestegen, besmettelijke ziektes zijn stevig teruggedrongen, mensen zijn weerbaarder tegen extreme weersomstandigheden en natuurrampen, geweld is waarschijnlijk op haar laagste punt ooit, persoonlijke, economische en politieke vrijheden verspreidden zich wereldwijd.

Allemaal aanstekelijk optimistische constateringen in het manifest die niet simpelweg als ‘onzin’ kunnen worden afgedaan. Als je alleen afgaat op de dagelijkse nieuwsberichten, kan het je wel eens zwaar te moede worden. Maar wie nuchter de feiten op een rijtje zet, moet toch erkennen dat er veel goed gaat in de wereld. Ook wel eens fijn om dat vast te stellen, moet je de opstellers van het van oorsprong Amerikaanse Ecomodernistisch Manifest nageven.

Ted Nordhaus
Tegelijkertijd steken ze hun kop niet in het zand: ‘Het menselijk succes heeft een ernstige tol geëist van de natuurlijke, niet-menselijke omgeving en van de wilde dieren.’ Alleen al de laatste 40 jaar namen de populaties van vele zoogdieren, amfibieën en vogels met de helft af, soorten sterven uit, klimaatverandering is een grote bedreiging.

Maar om die problemen het hoofd te bieden, hebben we niks aan de ‘traditionele’ milieubeweging, volgens de Ecomodernisten: die is elitair, komt voort uit de meest welvarende mensen op aarde, die alles al hebben, aldus voorman en voormalige milieuactivist Ted Nordhaus. ‘Een van de meest spraakmakende milieudenkers van het moment. Grondlegger van een stroming die in westerse intellectuele kringen voor opschudding zorgt. ‘ Aldus de Volkskrant in een recent interview met Nordhaus.

Eerder al gaf tijdschrift De Optimist het platform aan het Ted Nordhaus en diens compaan Micheal Schellenberger, ‘de eerste ecomodernisten die de term bedachten en gelden als de intellectuele voorgangers’, volgens journalist Marco Visscher in 2014 .

Onlangs interviewde Visscher voor Vrij Nederland de Brit Mark Lynas, voormalig radicaal milieuactivist, nu zelfverklaard ‘ecomodernist.’ Conform de Amerikaanse ecomodernistische agenda pleit hij voor intensievere industriële landbouw mét kunstmest en genetisch veranderde gewassen, kernenergie, technologie zoals geo-enginering (zonneschermen tegen de zon om klimaatverandering te bestrijden), met gentech uitgestorven dieren weer terugfokken en vóór economische groei.

Déjà vu
Wat je inhoudelijk er verder ook van mag denken, in ieder geval verfrissend voor het debat over milieu en milieubeleid, zo’n nieuw groen geluid. Toch? Wellicht, al ploepte er na eerste lezing van de provocatieve eco-boodschap toch een vraagje op, weldra uitgroeiend tot een stevig déjà vu: ‘‘Ecomodernisme’, waar heb ik dat toch eerder gehoord? Best lang geleden, toch ook wel?” Een gang naar de zolder met de plank met studieboeken en collegemappen waarvan mijn vrouw vindt dat ik ze al lang had moeten weggooien. Na even bladeren vind ik wat ik zocht: de tekst Ecologische modernisering van Joseph Huber uit 1985. Daarin pleit hij voor een ‘heroriëntatie op economisch gebied’ met behulp van ‘nieuwe en meer intelligente technologieën die minder grondstoffen en energie verspillen en minder milieuvervuilend zijn.’ Geen ‘no-future’ maatschappij, maar ‘ecologische modernisering van de industriële maatschappij’ met ‘kwalitatieve groei: met minder middelen evenveel nog beter maken.’

Huber schrijft dat dat vooral moet door fiscale hervorming waarbij de nu te dure arbeid goedkoper wordt gemaakt en grondstoffen juist duurder. Over de milieubeweging zegt hij dat die weliswaar ‘oorspronkelijk geïnspireerd is geweest vanuit ‘industrie- en techniekvijandige motieven’, maar dat die nu politieke druk ontwikkelt ‘die niet wijst in de richting van een ontmanteling van of ontsnappen aan de industriële maatschappij, maar juist in de richting van de ecologische ombouw ervan.’

Het lijkt kortom sterk op de filosofie van de hedendaagse ecomodernisten. Opmerkelijk dus dat kwaliteitsbladen als de Volkskrant, Vrij Nederland en De Correspondent hun verhaal als ‘nieuw’ presenteren en de Amerikanen Nordhaus en Schellenberger onterecht het intellectuele vaderschap toedichten. Ter voorkoming van die fout was niet eens een verstofte collegebundel uit de jaren tachtig nodig geweest. Enkele seconden googlen en het lemma ‘ecologische modernisering’ op Wikipedia verwijst naar Joseph Huber en zijn Duitse collega’s aan de universiteit van Berlijn als ware grondleggers van de ecologische moderniseringstheorie: ‘Een milieusociologische benadering met een groot vertrouwen in de mogelijkheid om met technologische middelen en marktmechanismen de milieuproblemen te boven te komen’, volgens Wikipedia.

Rooskleurig
De denkwijze heeft veel invloed gehad, onder andere in Nederland, zegt de elektronische encyclopedie. Onder minister Pieter Winsemius ten tijde van het eerste Kabinet Lubbers (1982-1986), was ‘ecologische modernisering’ de grondslag voor het milieubeleid en latere invloedrijke rapporten getuigen er ook van (‘Ecologische Modernisering’ van de Wiarda Beckman Stichting van de PvdA uit 1993, ‘Ruimte voor Ecologische Modernisering van de Raad voor Milieu- en Natuuronderzoek uit 1996).

Een van de prominentste Nederlandse denkers op het gebied van ecologische modernisering is Gert Spaargaren, hoogleraar aan de Wageningen Universiteit, die in 1997 promoveerde met zijn proefschrift ‘Ecological Modernisation of production and consumption.’ Behalve op het gedachtegoed van Joseph Huber, gaat Spaargaren daar ook in op de theorievorming die er ná Huber heeft plaatsgevonden. Met name onder invloed van het denken van de Duitse socioloog Ullrich Beck (‘De risicosamenleving’).

Waar de ‘nieuwe’ ecomodernisten een rooskleurig beeld hebben van de technologische vooruitgang is er onder de oorspronkelijke ecomodernisten ‘een groeiend bewustzijn van het feit dat wetenschap en techniek niet langer de onfeilbare bakens zijn voor onze omgang met onzekerheden.’ Zo valt te lezen in het proefschrift: de onlangs opgestane ecomodernisten hebben wat gemist blijkens hun nog steeds onverwoestbare vertrouwen in de voortgang van milieutechniek.

Anti-groei-economie
Spaargaren kan een en ander wel verklaren en van een verhelderende context voorzien. De recentelijk opgestane ecomodernisten zijn volgens hem vooral Amerikaans en het gevolg van het erg gepolariseerde milieudebat in de Verenigde Staten. Aan de ene kant is daar de onder milieuactivisten en milieuwetenschappers, ‘net als bij Milieudefensie’, populaire ideologie van anti-groei-economie en anti-massaconsumptie, al dan niet in de ‘geld-maakt-niet-gelukkig’ variant. ‘De nu in de VS opgestane ‘ecomodernisten’ moet je vooral zien als een reactie op die ideologie.’ Dat de Amerikanen niet netjes naar de grondleggers van de ecomodernisering zoals Joseph Huber verwijzen, komt volgens Spaargaren ‘omdat Europa en de VS wat dat betreft echt gescheiden werelden zijn en dus de Amerikanen opnieuw het wiel aan het uitvinden zijn.’

Vandaar dat ecomodernist Spaargaren ‘er niet bepaald op uit is om als eco-modernist-Amerikaanse stijl te worden neergezet.’ Hij herkent zich helemaal niet in de technocratische toon van het pamflet.

‘Onze ecologische modernerniseringsschool, met onderzoekers en 45 promovendi werkend in een wereldwijd netwerk – wil werken aan structurele milieuveranderingen. En zoekt daarbij steeds het contact met civil society en maatschappelijke organisaties om druk uit te oefenen op overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties.’

Ecomodernistische retoriek
In Europa zijn debat en de praktijk van milieuveranderingen veel minder gepolariseerd. ‘Terwijl in de jaren zeventig de milieubeweging anti-industrie was, zie je nu dat milieuorganisaties met bedrijven samenwerken in allerlei conglomeraten.’ Klimaatbureau Hier werkt samen met bedrijven als Essent, Stichting Natuur en Milieu met bedrijven als Eneco en de Rabobank en Milieudefensie maakt zich sterk voor de verkoop van producten met een biologisch keurmerk.

Allemaal te beschouwen als ‘ecologische modernisering.’ ‘De acties en pleidooien van Urgenda tegen klimaatverandering en voor duurzame energie en de energietransitie van hoogleraar Jan Rotmans zijn ook heel erg Ecco-modernistisch’, volgens Spaargaren. ‘Radicaal economisch modernistisch maar toch’.

Dat laatste wijst er op dat er binnen het ecomodernistische denken verschillende posities mogelijk zijn., Heel anders dus dan het simplistische beeld dat het Ecomodernistische manifest schetst van de milieubeweging. ‘De ecomodernistische retoriek doet geen recht aan het scala aan opinie binnen de milieubeweging’, zei duurzaamheidsadviseur Jan Paul van Soest daarover in Vrij Nederland.

Spaargaren vindt zelfs dat de milieubeweging tegenwoordig soms te weinig nadruk legt op het ‘ecologische’ in de ecologische modernisering. ‘Dan worden mensen overgehaald om mee te doen met zonnepanelenproject vanwege hun portemonnee. Dat vind ik heel slecht. Want ‘ecologische modernisering’ wil ook zeggen dat je zoiets doet vanwege ecologische motieven, dat je zonnepanelen op je dak zet om de uitstoot van CO2 te verlagen.’ In de succesvolle opmars van de zonnepanelen de afgelopen jaren komt het vroegere kleinschaligheids- en autonomie-denken van de milieubeweging, samen met de ecologische modernisering. 

Uitbuiting
Je eigen energie opwekken, onafhankelijk van grote kapitalistische energiebedrijven, conform het idee van zelfvoorziening. Maar tegelijkertijd wel dankzij die moderne wereldwijde markteconomie. Het is immers dankzij de industriële massaproductie dat die panelen breed beschikbaar zijn gekomen en dus is zo’n beetje iedere klimaatverantwoorde burger tegenwoordig ecomodernist. Inclusief de voor de kapitalistische groei-economie zo afwentelingsmechanismen, die daar bij horen. Zonder dat de meeste consumenten er bij stilstaan, zorgt de productie van de panelen voor vervuiling van Chinese rivieren en dorpen, uitbuiting van onderbetaalde arbeiders, moordende concurrentie en verdringing van werkgelegenheid in Europa en vervuilend transport van de panelen over lange afstanden.

Kijkend naar de concrete actiepunten van de Amerikaanse ecomodernisten, komen ook weer de verschillen met die van de Europese aan het licht. Terwijl de Amerikanen bijvoorbeeld een lans brengen voor kernenergie in de strijd tegen klimaatverandering is Spaargaren een verklaard tegenstander: ‘Ten tijde van Joseph Huber was kernenergie hét voorbeeld van een “dead-end-industrie”: naar zijn aard zo gevaarlijk en ontwrichtend, dat het niet te verbeteren valt en nooit duurzaam kan worden.’

Een verdere bestudering van de concrete agendapunten, levert nóg meer déjà vu’s op. Voor kernenergie, voor gentechnologie, voor industriële grootschalige landbouwtechnieken met kunstmest, lezen we in het Ecomodernistische Manifest. Voor deze ‘déjà vu’s’ hoeven we niet decennia terug, maar blijven we in de tegenwoordige tijd. Het zijn namelijk standpunten, inclusief bijbehorende argumentatie, die één op één zijn terug te vinden bij grote delen van het (Nederlandse) bedrijfsleven en politiek midden- en rechtse partijen, oftewel bij de gevestigde belangen.

Vooruitgangsgeloof
‘De ‘nieuwe’ ecomodernisten naar Amerikaans model hebben dezelfde agenda als die van het conservatieve deel van het bedrijfsleven’, zo vat Spaargaren het samen: ‘De Nederlandse en Europese ecomodernisten daarentegen lopen parallel met die van het progressieve bedrijfsleven.’ Dat ziet namelijk in de ecologische crisis een uitdaging voor het bedrijfsleven: het creëert nieuwe afzetmarkten en nieuwe vraag, een vehikel voor innovatie en economische groei. Terwijl de ‘nieuwe’ ecomodernisten willen investeren in de oude economie van schaliegas, kunstmest en kernenergie, is het progressieve bedrijfsleven al bezig met de cradle-to-cradle transitie.

Dat laatste wijst dan weer op een overeenkomsten tussen de Amerikaanse en Europese ecomodernisten: het geloof in economische groei. ‘Die is niet slecht’, vindt Spaargaren. In de samenvatting van zijn proefschrift staat het zo: ‘de ecologische moderniserings-theorie neemt afstand van de 'grenzen aan de groei' benadering’. Voor Wikipedia reden onder het kopje ‘nadelen van Ecologische Modernisering’ te zeggen: ‘Het vermindert de continue consumptie niet. De theorie stimuleert niet het besef van grenzen aan productie en consumptie, omdat ervan uit wordt gegaan dat er oplossingen zijn voor de problemen die zij met zich meebrengen.’

De aantrekkingskracht van het ecologisch modernisme, zowel in nieuwe als oude variant, ligt juist in dat in de ‘economische groei-ideologie’ en ‘moderniteit’ ingebakken vooruitgangsgeloof: ‘de toekomst wordt altijd beter.’ Van de door de milieubeweging telkens herhaalde doemscenario’s over kwesties als klimaatverandering, smeltende ijskappen, en verdwijnende biodiversiteit worden mensen moe en murw. ‘Je moet klimaat leuk maken voor de mensen, riep columnist Martin Sommer van de Volkskrant, opgelucht na lezing van het interview met Ted Nordhaus in zijn Volkskrant: ‘Helemaal mijn man. Je moet niet aankomen met kanselpraat over niet meer vliegen, geen biefstuk eten of minder welvaart. Dan gooien mensen de kont tegen de krib’. Met moderne technieken redden we het klimaat én kunnen de Indiërs en Chinezen dezelfde levensstandaard als ons krijgen: daar hebben ze immers recht op, vindt Sommer met Nordhaus.

Diepgewortelde mythe
Zo wordt ook met het Ecomodernisme alles altijd beter. Daarmee maakt het zich schuldig aan wat de Engelse boer-denker-blogger Chris Maje in zijn reactie op het manifest van de Ecomodernisten, de mythe van de vooruitgang noemt: een heel hardnekkige en diepgewortelde mythe in onze samenleving. Volgens die mythe kan er geen tijd zijn geweest waarin sommige dingen soms beter waren of dat sommige bevolkingsgroepen en hun technieken en samenlevingsvormen uit het verleden nu ook nog nuttig zouden kunnen zijn. Volgens het vooruitgangsgeloof hoeven we niet van het verleden te leren, onze samenleving is beter dan alle vorige en de volgende zal nog beter zijn. Zo is de geschiedenis, met ijzeren wetmatigheid voortschrijdend vooruit. Op die manier hoeft het idee dat er misschien toch wel degelijk grenzen aan de groei zijn ook niet serieus te worden genomen: dat is immers zo jaren zeventig. 


Gepubliceerd in Down to Earth Magazine, december 2015