Verwacht: een melktsunami


Melk, kaas en koeien horen bij Nederland,  de op twee na grootste zuivel-exporteur ter wereld. Een melkquotum hield tot nu toe de productie binnen de perken. Nu die wordt afgeschaft, wordt een ‘melktsunami’ van twee miljard extra liters verwacht. Dus óók een half miljard kilo extra koeienstront en twee miljard kilo extra broeikasgas. ‘Dat kan toch niet: er moet iemand zijn die ergens een streep trekt!’

Melk is goed voor elk. Met dank aan Joris Driepinter: bij de lezers die in de jaren zeventig al rondliepen, zijn de slogan en het bijhorende stripfiguurtje Joris diep verankerd in het bewustzijn: melk moet, want is gezond. Later pas hoorden we dat Joris’ ‘drie glazen melk per dag’ verzonnen was door de zuivelindustrie om van de overproductie aan melk af te komen. De taak van Joris Driepinter werd vanaf 1984 ten dele overgenomen door  de Europese Economische Gemeenschap, zoals de EU toen nog heette.  Een melkquotum moest de  omvang van melkplassen en boterbergen indammen: elke lidstaat mag een maximale hoeveelheid melk produceren. Na ruim  dertig jaar zet Europa het melkquotum buiten de deur: om de prijs van de melk richting die van de wereldmarkt te krijgen en zo de zuivelindustrie van goedkope melk te voorzien, wordt het quotum met ingang van 1 april 2015 afgeschaft. Vanaf dan mag er in principe onbeperkt koeienmelk gemolken worden. De zuivelindustrie verlekkert zich alvast over ‘de melktsunami die Nederland in 2015 gaat overspoelen’.  Wat betekent dat voor de koe, de wei, het landschap, de boer, de biodiversiteit?

Ook mét melkquotum is Nederland geen kleintje in de wereld van de zuivel. Het afgelopen jaar was Nederland een quotum toegewezen van 12 miljard ton, dat ruimschoots werd volgemolken. Het  komt neer op 11 miljard en 600 miljoen melkpakken in een jaar. Per Nederlandse inwoner zo’n 700 liter per jaar, twee pakken per persoon per dag, dus niet drie maar dagelijks tien pinten voor elke inwoner. Die drinken we niet allemaal zelf op: 6 miljard liter wordt geëxporteerd. Waarmee Nederland samen met Nieuw Zeeland en Brazilië tot de top drie van de zuivelexporterende landen in de wereld hoort. De voorspelling is dat met de opheffing van het melkquotum de Nederlandse boeren twintig procent meer melk gaan produceren. Omdat niet de verwachting is dat Joris Elf- of  Twaalfpinter een succes wordt, is het de bedoeling dat die twee miljard extra liters ook worden geëxporteerd. ‘Gelukkig zijn er groeimarkten, zoals Azië, waar de urbanisatie sterk is, steeds meer mensen de middelen krijgen om bereide, voorverpakte voedselproducten te kopen en waar het vertrouwen in de Nederlandse producten hoog is’. Zo verwoordde de directeur van Tetra Pack, het bedrijf dat een flink deel van de melk in Nederland verpakt, in een interview.

Ook in Nederland zelf heeft melkveehouderij een goed imago. Anders dan de intensieve varkens- en kippenhouderij. Voor een deel is dat gunstige onderscheid terecht. De meeste  van de 1,5 miljoen melkkoeien  komen in de zomer geregeld buiten. Als ze op stal staan, vreten ze voor een flink deel voer van Nederlandse bodem, in de vorm van kuilgras en maïs. En de melkveehouders kunnen een aardige boterham verdienen. Maar de industrialisering en intensivering in de melkveehouderij is ook mét melkquotum stevig doorgezet.  Vanaf 2000 is het aantal melkveebedrijven met 27 procent gedaald tot 17 duizend bedrijven in 2012. Ondertussen werd er wel  steeds een beetje meer werd geproduceerd, omdat het quotum een paar keer wat werd verhoogd. Het gemiddelde melkveebedrijf wordt dus steeds groter. Er zijn inmiddels 107 megakoeienstallen met meer dan 250 koeien en er is er al een met 1150 stuks. Met die grote aantallen koeien per bedrijf lukt het niet meer om ze allemaal in de weide bij de boerderij te laten grazen:  inmiddels komt meer dan een kwart van de Nederlandse koeien nooit meer buiten, meer dan drie keer zoveel als in 1997. Van de koeien wordt steeds meer gevraagd: leverde een koe 75 jaar geleden jaarlijks 3300 kilo melk, inmiddels is dat gemiddeld 8.000 kilo per jaar, met uitschieters naar 12000.  Dat vinden de Bertha’s en Clara’s niet altijd even fijn: een flink deel krijgt uier- en klauwontsteking door de eenzijdige fok op hoge productie. Bovendien komt er uit hun lijven niet alleen melk: bij elke kilo melk leveren de dames een kwart kilo mest  en één kilo broeikasgas. En dan hebben we het ook nog niet gehad over het deel van het veevoer voor de koeien dat wél van ver weg komt: de beruchte soja uit Zuid-Amerika, die daar ten koste gaat van het Amazonewoud en de bodem uitput. Kortom: probleemloos is onze  melkkoeienhouderij niet. Hoe gaat dat als die nog twee miljard liters extra gaat leveren?

Niet zo heel verrassend: de verwachting is dat de problemen groter zullen worden. Meer vervuiling, meer risico’s voor gezondheid van mens en dier, minder fraai landschap, nog meer koeien op stal.  Dat is geen doemvoorspelling van een milieuclub, maar de officieel berekende toekomst volgens het Planbureau voor de Leefomgeving. Die gaat er van uit dat door de afschaffing van het melkquotum het aantal koeien met twintig procent zal toenemen: ‘Groei van de veestapel leidt tot risico’s voor volksgezondheid, leefomgevingskwaliteit en dierenwelzijn’, concludeert PBL. ‘Er zijn onvoldoende garanties dat de toename van ongunstige effecten van groei van de veestapel voorkomen kan worden met het huidige potentieel van overheidsregulering, technische maatregelen en marktwerking.’ Aldus het adviesorgaan van de regering , eind in september 2011 in de analyse ‘Productierechten in de veehouderij: gevolgen van afschaffen in 2015 voor veehouderij en leefomgeving.’ Er is dringend een integrale visie op de veehouderij nodig, vond het Planbureau. Die integrale visie is tot op heden niet van het kabinet Rutte-Ascher vernomen. Maar maatschappelijke ongerustheid over de op handen zijnde  ‘melktsunami’ evenmin.

Uitzondering daarop vormde de oproep ‘Koppel melkproductie aan grond’ in vakblad Boerderij Vandaag, afgelopen juli. Ondertekend door  hoogleraar Herman Wijffels, oud-minister Pieter Winsemius, oud-minister Cees Veerman, Louise Vet (Nederlands Instituut voor Ecologie), schrijver Geert Mak, Joris Lohman (Youth Food Movement) melkveehouder Jan Cees Vogelaar en Wouter van der Weijden (Stichting Centrum voor Landbouw en Milieu). ‘De melkveehouderij staat op een tweesprong: grondgebonden blijven of industrialiseren?’, aldus het stuk. Zonder overheidsmaatregelen betekent de afschaffing van het melkquotum dat de weg van verdere industrialisering wordt ingeslagen, volgens de samenstellers: ‘Voor intensivering moeten melkveebedrijven steeds meer voer aankopen en steeds meer mest afvoeren. De kringloop raakt uit het zicht,  de melkveehouderij wordt dus minder grondgebonden en gaat steeds meer op de varkenshouderij lijken.’ Zonder band met de grond worden gezinsbedrijven bovendien ‘veel kwetsbaarder voor prijsbewegingen op de markten van melk, veevoer, met en kapitaal’, is de waarschuwing. Het is van groot belang dat de melkveehouderij grondgebonden blijft. Om dat te bereiken willen de ondertekenaars dat de overheid een maximum aan het aantal geproduceerde liters melk per hectare vaststelt. 

‘Sommige mensen vonden het stuk geweldig, maar anderen, vooral vanuit de landbouwsector zelf reageren met “ach, ach” en “schouderophalen’, vertelt Wouter van der Weijden, gevraagd naar de  reacties op het stuk. Voor dat ‘ach’ uit de landbouwhoek heeft  Van der Weijden twee verklaringen: ze vinden grondgebondenheid niet echt belangrijk óf verwachten oprecht dat meer melkproductie mogelijk is zonder grotere nadelen voor het milieu.  Voor landbouworganisatie LTO kan het melkquotum niet snel genoeg verdwijnen: de Nederlandse melkveehouderij kan de concurrentie op de wereldmarkt wel aan, is het idee. De LTO denkt dat er meer melk kan worden geproduceerd zonder het milieu extra te belasten door mest te exporteren en  melkveebedrijven te verplichten  een ‘kringloopwijzer’ te gebruiken.   Die brengt in beeld wat er via veevoer zoal het bedrijf binnenkomt aan voedingstoffen (stikstof, fosfaat ed.) en wat er via melk, mest, ammoniak, CO2, methaan en dergelijk weer uitgaat. Van der Weijden vindt die kringloopwijzer een mooi managementinstrument, ‘maar de suggestie dat je er ook mee kunst sturen is boterzacht.’  Hij is bang dat de kringloopwijzer vooral gebruikt wordt om tijd te winnen. ‘De veehouderij sector kan er mee schermen en ondertussen rijzen de grondloze bedrijven de pan uit.’

Omdat ook staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken betwijfelt of het de landbouwers lukt om meer melk te produceren zonder het milieu extra te belasten, heeft ze gedreigd met het invoeren van ‘dierrechten’: boeren mogen dan alleen meer koeien houden, als ze dierrechten kopen van veehouders die gaan krimpen of stoppen. Van der Weijden is er niet enthousiast over: ‘Je zet dan wel een rem op de mest- en ammoniakproductie, maar je doet niks aan de andere problemen: het ontbreken van kringlopen, het verdwijnen van de koe uit de wei en de grotere kwetsbaarheid van de boeren op de wereldmarkt’.  Van der Weijden heeft tijdens een openbaar debat staatssecretaris Dijksma gevraagd of ze grondgebondenheid wil bevorderen.   ‘Ze reageerde daar helemaal niet op. Ze lijkt geen boodschap te hebben aan grondgebondenheid.’

Een ander geluid uit de landbouwhoek komt van de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), een kritische zus van de LTO.  De NMV voert juist  actie vóór een vorm van quotering, samen met Europese zusterorganisaties verenigd in de European Milk Board. De NMV is bang dat door de enorme toename van de hoeveelheid melk, de melkprijs flink zal dalen en veel melkveehouders in daarop volgende ‘survival of the fittest’ in de problemen komen: ‘We kunnen niet concurreren met een land als Nieuw-Zeeland dat een veel lagere kostprijs heeft’, zei Dirk Jan Schoonman, voorzitter van de Nederlandse Melkveehouders, in Melkvee Magazine. ‘Ga met de NMV en de EMB praten over een vorm van quotering’, stelde de SP-Tweede-Kamerfractie daarop voor aan staatssecretaris Dijksma. Maar die liet weten daar niks in te zien, met als argument dat Nederland nu eenmaal voor afschaffing van dat melkquotum is.

‘De komende maanden worden beslissend’, volgens Wouter van der Weijden. ‘Grondgebondenheid heef zoveel grote voordelen. Maar dat vraagt helder en stevig leiderschap.’ Dat  ziet Van der Weijden niet: zoals het er nu uit ziet, gaat de melkveehouderij richting verder industrialisering. ‘We zien gebeuren wat al eerder met de varkens en kippen in Nederland is  gebeurd. Dat kan toch niet: er moet iemand zijn die ergens een streep trekt!’

Bio-melkveehouders: misschien vrijwillig quotum

De vraag naar biologische zuivel in  Nederland is de afgelopen jaren flink gegroeid en inmiddels groter dan het aanbod van eigen bodem: een deel van de bio-melk moet worden geïmporteerd. Volgens Gerard Migchels van de Wageningen Universiteit moet de biologische melkveehouderij met het afschaffen van het melkquotum daarom de kans grijpen om flink te intensiveren, waarbij hij verwijst naar de hightech biobedrijven in Denemarken. ‘Wellicht moeten we voor de schaalsprong meer rekenen op grote hightechbedrijven met minimaal tweehonderd koeien, mestraffinage, energieproductie, GPS-bemesting en samenwerking met biologische akkerbouwers’, aldus Migchels in het Wageningse kwartaalblad Syscope.

De vraag is of dat reëel is, bijvoorbeeld omdat de biologische richtlijnen 150 tot 180 dagen verplichte weidegang voorschrijven, iets wat met tweehonderd koeien en melkrobots er niet makkelijker op wordt. 

Verdere intensivering is ook niet per se de richting  waarin De Natuurweide denkt, de vereniging van biologische melkveehouders. ‘Kunnen we de kringloopgedachte in stand houden, dat is voor ons de leidraad, melkquotum of niet’, aldus Teunis Jacob Slob, voorzitter van De Natuurweide:  ‘We willen niet meegaan in de ratrace.’ Hij haalt het voorbeeld aan van Amerikaanse biologische melkveehouders. Vanwege de economische crisis daalde daar de vraag naar biologische melk. Om elkaar niet met een lagere melkprijs te gaan beconcurreren heeft de coöperatie van biomelkveehouders toen afgesproken de productie in te perken. ‘Dat waren moeilijke tijden voor de bioboeren, maar het heeft wel gewerkt.’ Zoiets is in Europa ook goed denkbaar. Op voorwaarde dat je er alle partijen, de verwerkers, de handel en de consument bij betrekt. ‘Je moet uitleggen dat de boer een eerlijke prijs verdient.’

Melk goed voor elk?
'Melk is goed voor elk' is een nogal overdreven stelling. Zo'n driekwart van de wereldbevolking is lactose-intolerant en verdraagt geen melk nadat ze de moederborst is ontgroeid. Deze intolerantie komt weinig voor in Europa en veel in Afrika en Azië.

Gepubliceerd in Down to Earth Magazine, augustus 2013