Op zoek naar de korhoen

Nog maar zeven mannelijke korhoenders leven er in Nederland: op de golvende heide van de Sallandse Heuvelrug. Naober ging met de boswachter op zoek naar die zeldzame hoender met zijn karakteristieke zwart-rode kop. ‘Hoor, hoor, is hem dat?’

Een kraakheldere koude ochtend in het vroege voorjaar. De zon is net op, het land berijpt. Bij het bezoekerscentrum De Sallandse Heuvelrug, vlakbij Nijverdal, komt een man aanlopen die met zijn baard en vilten hoed als een klassieke boswachter toont. Officieel is Arend Spijker in dienst bij Staatsbosbeheer en ‘gastheer en toezichthouder Nationaal Park Sallandse Heuvelrug’. Hij weet van alles over het natuurgebied te vertellen,waar onder andere de korhoender huist. De enige overgebleven exemplaren van deze boshoen, leven hier op de heide van de Sallandse Heuvelrug.

We zijn er vroeg bij om te proberen een glimp op te vangen van die ‘zwarte kippen’, zoals ze in Nijverdal en omgeving ook wel enigszins denigrerend worden genoemd. Waarom niet iedereen dol is op de korhoenders, wordt al snel duidelijk als we de Nijverdalse bergweg oplopen die dwars door het bos en over de heide richting Holten loopt. Daar komt een witte bestelbes aangereden en wordt prompt door Spijker aangehouden en moet rechtsomkeer maken: vóór negen uur ’s ochtends en na negen uur ’s avonds mag er geen gemotoriseerd verkeer over de weg. Want juist ’s morgens vroeg wil de korhoen zich vertonen op open plekken op de hei en is de kans groot dat hij door een auto wordt aangereden. Met een paar aanrijdingen, kan de korhoen dan vervolgens zo maar helemaal uit Nederland zijn verdwenen. En dus moeten automobilisten maar even een stukje omrijden.

‘Als ik vroeger, in de zestiger jaren, met mijn vader koeien zat te melken – met de hand – dan hoorden we de korhoenders om ons heen korren’, vertelt Spijker die hier in de buurt is opgegroeid. De korhoen was een normale verschijning met zijn korrende geluid, zwarte lijf, van onderen witte vleugels en brede staart en rode ‘koprozen’: plekken boven de ogen die rood opzwellen. Het mannetje hebben we het dan over, de korhaan: de korhen is onopvallend bruin, als een patrijs en laat zich nog veel minder zien dan de haan. Tot in de jaren tachtig en negentig leefden er nog meer dan duizend exemplaren van de korhoen in Nederland, onder andere ook op de heide op de Hoge Veluwe, in Noord-Brabant en in Drenthe. Daar zijn ze inmiddels helemaal verdwenen en ook op de Sallandse Heuvelrug gaat het niet best: in 2009 werden er nog dertien hanen geteld, vorig jaar nog zeven. Geschat wordt dat er daarnaast zo’n veertien tot twintig vrouwtjes leven. Dat het zo slecht gaat met de korhoen, komt doordat de combinatie van droge heide met kleinschalige akkers goeddeels is verdwenen.

We gaan de verharde weg af, het bos in. Terwijl de meeste voorjaarsplanten nog in het blad moeten komen, groeit op de bodem van het bos een plantje dat wel blad draagt en her en der rode bossen: de vossenbes oftewel rode bosbes. ‘Het is een winterharde plant’, vertelt Spijker ‘in tegenstelling tot de blauwe bosbes, die nu alleen nog maar kale takjes heeft en de bessen al lang kwijt is. Dat de korhoen het hier tot nu toe heeft uitgehouden, zou wel eens te maken kunnen hebben met de grote hoeveelheden vossenbes.’ Ook in andere opzichten is het een bijzonder bos. Er staan bijvoorbeeld volop jeneverbessen, de enige beschermde boomsoort van Nederland. ‘Als je er een ziet met een afgeplatte vorm, dan is dat bijna altijd een vrouwelijke: daaraan hangen de jeneverbessen, die pas na twee jaar rijp zijn. Als je een kegelvormige ziet, is het een manlijke boom.’

Het zandpaadje slingert omlaag en omhoog het bos uit en plotseling hebben we een enorm wijds uitzicht over de berijpte heide. Her en der groepjes bomen, te midden van heel veel heide, on-Nederlands in heuvels golvend tot helemaal aan de bosrand in de verre verte. ‘We zijn hier op het grootste droge heidegebied van West-Europa’, zegt Spijker. ‘Het leefgebied voor veel bijzondere soorten als zandhagedissen en nachtzwaluwen. We beheren dan ook dat heidegebied, we zijn geen korhoenderbeheerders.’ Hoog in de lucht klinkt er jubelend gezang. Daar stijgt een veldleeuwerik op, steeds hoger en hoger. En daar nóg één. Terwijl deze vogelsoort het elders in het land ook heel moeilijk heeft, zijn er hier zomaar twee die elkaar de loef proberen af te steken met hun uitbundige, melodieuze getwinkel.

‘Kijk, zie je dat pad daar. Voor de korhoenders zou het beter zijn om het af sluiten, want ze worden wel eens opgeschrikt door de eerste joggers van de ochtend. Maar ja, het is ook onderdeel van het Pieterpad. Het publiek moet ook kunnen genieten van het gebied: het is voortdurend zoeken naar de goede balans’. Her en der zijn er kale ronde plekken te zien op de hei. ‘Die hebben we speciaal gemaaid voor baltsende hanen. Dan kunnen ze van zich afkijken, plus opvallen. ’s Morgens vroeg komt hij om daar de aandacht trekken met zijn gekor en gesis.’

‘Hoor, hoor, is hem dat? Is dat het korren?’
‘Dáár, dáár, daar zit er één.’ Op honderd meter afstand zit een korhaan in de top van een sparrenboompje [misschien valt op de foto te zien of het wellicht een dennenboompje was?]. Met zijn karakteristieke knalrode koprozen kijkt hij naar links en dan weer naar rechts. De korhoen blijft een hele tijd rustig zitten, terwijl er een formatie ganzen overvliegt, op weg naar het noorden. ‘Het is zien en gezien worden’, zegt Spijker. Een stuk verderop vliegt iets op. Nog een korhaan! Een heel eind scheert de korhaan met zijn zwart-witte wiekslag over de golvende heide. Richting de andere korhoen, die rustig in de top van het sparrenboompje blijft zitten. Totdat de vliegende korhoen langszij komt en eventjes gaan de twee achter elkaar aan, door de lucht totdat ze verdwenen zijn, ergens in de zonnige ochtendhei.

Verder gaat het over deels door erosie uitgesleten kronkelende zandpaden. Misschien laat zich er nog eentje zien. ‘Hoor ik er weer een? Nee, het is het geroffel van een specht’. Vroeger werd er meer gevochten door de hanen. Dan gingen er twee tegenover elkaar staan, al dreigend en springend, waarbij ze hun vleugels en liervormige staartveren breed uit waaierden. ‘Jonge hanen kwamen er dan omheen staan en gingen er dan vervolgens met de hennen vandoor: sneaky fuckers noemen we die.’ Maar omdat het leefgebied inmiddels behoorlijk groot is en de aantallen klein, hoeven ze niet meer te vechten om de ruimte. Waarom het desondanks niet best gaat, is niet helemaal duidelijk. Met plaggen, branden, verwijderen van boompjes, schaapskuddes, wordt geprobeerd de heide te behouden. Daarnaast worden er kleine akkertjes aangelegd, want juist van die combinatie houden de korhoenders. Jaarlijks legt elke hen zo’n acht à negen eieren, die grotendeels uitkomen. Maar ergens in de eerste levensweken gaat er iets fout: de meesten overleven het niet. Sommigen worden gegrepen door vos en kraai, die dan ook onder voorwaarden worden bestreden. En eens werd een havik, die zich had gespecialiseerd in het oppeuzelen van korhoenderkuikens, gevangen en elders losgelaten. Gelukkig gaat het met verschillende andere zeldzame diersoorten hier op de Sallandse Heuvelrug beter: de roodborsttapuit, gladde slang, zandhagedis, hazelworm en nachtzwaluw, lijken wel te profiteren van het natuurbeheer. ‘Eigenlijk is het geen natuurbeheer, maar beheer van oud cultuurlandschap, door mensen gevormd, met een hele hoge natuurwaarde’, zegt Spijker.

Het loopt tegen negenen: de kans om nog meer korhoenders te zien, is klein. Maar een glimp opvangen van twee van de zeven Nederlandse korhanen is al bijzonder zat. Wie weet wordt het over een aantal jaren weer minder bijzonder. Terwijl we de heide verlaten, het bos weer in, zegt Spijker: ‘Als we dit oerbeest ons door de vingers laten glippen, dan doen wij mensen ergens iets fout.’

Gepubliceerd in: Naober-Biezunder Salland, Lente 2011, bijlage bij Naober Magazine